Sleepingdog Het gevoel dat je in bed ligt, het deken over je heen trekt en er niet meer bent

Het gevoel dat je in bed ligt, het deken over je heen trekt en er niet meer bent

Wanneer we Chantal Acda ontmoeten, steekt ze haar afkeer voor een Nederlands duo aan de tafel naast ons niet onder stoelen of banken. Of hoe een Nederlandse na acht jaar wel erg geïntegreerd geraakt is in ons Belgenlandje. Tijdens een gemoedelijke babbel praat de zwangere Acda vrijuit over eenzaamheid, tegenstellingen, vervreemding, Daniel Johnston en natuurlijk haar tweede worp: ‘Polar Life’. Onder de noemer Sleepingdog bracht ze namelijk zonet haar tweede verstilde meesterwerkje uit.



Bij je vorige plaat had je niet de intentie ze uit te brengen. Hoe is dat bij deze plaat verlopen?
Acda: Op dezelfde manier. Ik neem nummers op en pas daarna begin ik erover na te denken. Dan denk ik vaak dat ik ze niet ga uitbrengen. Ik maak die liedjes gewoon omdat ze eruit komen, maar achteraf vind ik ze niet goed en wil ik ze niet uitbrengen. Er is telkens iemand die me over de streep moet trekken. En meestal gaan daar een paar maanden over.
 
Dat is dus exact hetzelfde proces als bij voorganger ‘Naked in a Clean Bed’?
Acda: Ja. Ik denk dat dat bij mij altijd zo zal gaan. Muziek moet er uit bij mij, ook al vinden anderen dat maar niets. Ik kijk niet naar de mening van anderen. Ik kan nooit stoppen met muziek maken. Waarschijnlijk zal dat proces zich dus blijven herhalen tot ik een andere verslaving gevonden heb. Als de vorige plaat niet zo goed onthaald was, zou het wellicht moeilijker geweest zijn om me te overtuigen.
 
Schrijf je persoonlijker als je niet op voorhand weet of je je muziek zal uitbrengen?
Acda: Absoluut. Ik kan de negatieve reacties die je op zo’n plaat kan krijgen al op voorhand bedenken. Maar als je daarmee bezig bent, ga je automatisch anders opnemen. Dat is net het positieve aan heel dit proces: ik denk er niet over na en neem gewoon op. Als dat niet het geval zou zijn, was de plaat wellicht een stuk gladder en gepolijster geweest. Er zou meer over nagedacht zijn en dat is nu niet het geval. Dat wil ik eigenlijk wel zo houden.
 
Door de plaat dan toch uit te brengen leg je op die manier wel je ziel bloot aan totaal onbekende mensen.
Acda: Inderdaad, en daar heb ik het heel moeilijk mee. Ik vind dat echt een hel. Vooral de dagen voor een groot concert zijn verschrikkelijk, zoals dat in de AB als voorprogramma van Iron & Wine. Dan ben ik als een rollercoaster. Het ene moment zie ik het niet zitten en het volgende moment heb ik er ontzettend veel zin in. Er zijn voortdurend twee kanten en dat vind ik soms heel eng.
 
Sta je wel graag op een podium?
Acda: Wanneer ik er eenmaal sta, denk ik daar niet meer aan. Alleen op voorhand heb ik er last van. Ik sta dus wel graag op een podium, ja. Ook al is het moeilijk om zulke persoonlijke nummers te brengen voor zoveel mensen.
 
Ondertussen schuiven Dieter Cuypers en Nick Berkvens van Transit aan. Zij vergezellen Acda op het podium.

Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?
Acda: Ongeveer een jaar geleden hebben we elkaar ontmoet op een concert waar we allebei moesten spelen. Als grap zei ik dat ik wel met hen wilde zingen als ze daar ooit iemand voor zochten. Nu spelen ze wel eens mee met mij en omgekeerd. Dan kan ik me eens laten gaan. Na al die brave dingen doet dat deugd. Al zijn het ook brave jongens, hoor.
Berkvens: Dat is omdat je nu zwanger bent. Wacht maar tot het gedaan is. Misschien willen we dan wel niet meer met je spelen.
Acda: Goed, dan zoek ik echte rockers om me heen (lacht).
 
Heb je Dieter en Nick gevraagd om mee te spelen om het zo wat draaglijker te maken om op een podium te staan?
Acda: Neen, helemaal niet. Het is ook niet de bedoeling om altijd met andere mensen te gaan spelen, maar ik vind het fijn om in verschillende bezettingen te kunnen spelen. De optredens met Whip zijn bijvoorbeeld solo-optredens. Ik wil kunnen afwisselen, dat houdt het spannend. Als je steeds met dezelfde mensen speelt en nummers inoefent, krijg je snel een gestroomlijnde show. Dan heb ik liever dat het als een zootje klinkt (lacht).
 
Je bent als Sleepingdog begonnen toen je nog bezig was met Chacda. Kon je je ei niet meer kwijt bij Chacda?
Acda: Voor een deel niet, neen. Chacda werd steeds meer een echte groep en het was een moeilijke situatie omdat mijn ex erin zat. Het werd allemaal heel zwaar en negatief. Ik wilde iets doen dat helemaal voor mezelf was en waar niemand aankwam of een mening over had. Ik denk ook dat Sleepingdog veel dichter bij mezelf staat. Als ik wil opnemen, neem ik gewoon een instrument dat dichtbij staat en begin ik te spelen. Als dat nummer af is, wil ik het ook niet meer aanraken. Voor anderen is dat heel moeilijk. Als je gaat nadenken over hoe iets zou moeten klinken en het tien keer opnieuw gaat inspelen tot het perfect klinkt, denk ik dat ik iemand anders hoor. Die eerste take, daarin zit mijn gevoel, daarin zit het moment dat ik niet nadenk en dat er iets uitkomt dat echt van mij is.
 
Dat maakt muziek veel puurder.
Acda: Ja, maar ook veel ontoegankelijker. Uiteindelijk is het een heel egoïstische bezigheid.
[pagebreak]
Zie je jezelf ooit nog in een groep spelen?
Acda: Ja, toch wel. We beginnen binnenkort weer te repeteren met Chacda, maar dan in een andere bezetting. Ik wil een andere rol, meer aanvullend in plaats van de kar te trekken. Ik speel graag in een groep en ik wil ook opnieuw eens iets harder maken. Ik hou van harde dingen (lacht). Dat is een soort tegenreactie. Ik maak een zachte plaat en wil dan in een harde groep spelen, zoiets als Mogwai. Zo ben ik ook grote fan van Tool. Dat is nochtans het tegenovergestelde van alles wat ik ben. Ze zijn helemaal af. Alles klopt, niets is aan het toeval overgelaten en dat vind ik heel indrukwekkend. Ik hou wel van tegenstellingen. In tegenstelling tot hen, ben ik ook helemaal geen goede muzikant, ik beheers geen enkel instrument.

Dat heb je gemeen met Daniel Johnston. Enkele jaren geleden speelde je in zijn voorprogramma in Parijs. Was dat een soort van keerpunt in je eigen muziekcarrière?
Acda: Ja. Ik was toen de vorige plaat aan het opnemen en zat op een punt waarop ik me afvroeg waar ik eigenlijk mee bezig was. Toen ik Johnston zag spelen, ging een hele nieuwe wereld voor me open. Hij was zo echt. Hij kon niet zingen, geen gitaar spelen en geen piano spelen. Dat deed me ook beseffen dat er een plekje is voor mensen die niet technisch zijn, maar die gewoon hun hart willen uitstorten.

Op die manier is het wel moeilijk om ergens te geraken.
Acda: Ik denk dat er zo wel meer mensen zijn. Kijk naar Sparklehorse. Dat zijn allemaal mensen die niet professioneel zijn maar klungelig spelen en dat maakt het heel mooi. Ik denk dat daar wel een plekje voor is, maar nog te weinig. Het is ook een soort statement om jezelf kwetsbaar te tonen. Het hoeft niet altijd sterk en bedacht te zijn. Voor velen moet het nog steeds allemaal perfect zijn en dat wil ik niet. Dan moet ik maar vechten.

Zo plaats je jezelf wel in een bepaald segment.
Acda: Ja, maar dat heeft ook te maken met succes en dat beleef ik op een heel andere manier. Succes betekent voor mij dat ik kan spelen voor mensen waartussen er misschien één iemand is die een beetje begrijpt waarover ik het heb. En misschien, heel misschien, is er af en toe iemand die het zo goed begrijpt dat het iets kan veranderen. Dat is voor mij een groter succes dan in een grote zaal spelen of twintigduizend platen verkopen.

Dat is het tegengestelde van wat vele muzikanten denken.
Acda: Dat maakt mij soms heel verdrietig. Ik voel me daar inderdaad soms heel erg alleen in. Ook hier speelt die tegenstelling in mezelf weer mee. Aan de ene kant denk ik dat ik er maar voor moet gaan, maar die andere kant moet steeds weer vechten om er te staan. Als je dan ziet dat alle anderen om je heen daar anders over denken, voel je je dikwijls eenzaam. Het doet dan goed om eens iemand als Daniel Johnston te zien.

Door wat laat je je inspireren?
Acda: Door het wereldje waar ik heel graag in vertoef als ik even niet meer sterk wil zijn. In de natuur, tussen de dieren, heel erg inzaam. Gewoon het gevoel dat je in bed ligt, het deken over je heen trekt en er niet meer bent. Dat is hetgene waar de meeste van mijn liedjes wel iets mee te maken hebben.

Je hebt een hechte band met dieren.
Acda: Ik begrijp dieren veel beter dan mensen. Ik voel me meer thuis bij hen. Mensen vind ik vaak heel moeilijk en ik begrijp niets van hoe dat allemaal werkt. Ik kan me wel staande houden, daar heb ik al manieren voor gevonden, maar eigenlijk wil ik dat helemaal niet. Bij dieren kan je heel open zijn en moet ik voor niemand meer mijn best doen om me staande te houden. Ik voel meer vriendschap voor dieren dan voor mensen. In IJsland heb ik bijvoorbeeld een tijdje met een wilde kudde paarden opgetrokken. Met hen voelde ik een contact dat ik met mensen nog nooit gehad heb. Ik voelde me helemaal opgenomen door mezelf aan te passen aan hun manier van leven. Dat ging een stuk gemakkelijker dan je aanpassen aan mensen.

Laat je je erg beïnvloeden door andere groepen of artiesten?
Acda: Ik denk dat je dat onbewust wel veel doet, dat je dat onbewust meepikt. Ik ken niet echt groepen of artiesten waarvan ik hetzelfde zou willen doen. Adem komt misschien nog het meest in de buurt. Dat is ook heel moeilijk, want als je wil klinken als iemand anders lukt dat toch niet. Ik zou ook niet weten wie ik zou moeten kiezen. Mogwai. Maar dat is behoorlijk mislukt (lacht).

Misschien voor de volgende plaat!
Foto's: Tim Broddin

February 3, 2009
Tom Weyn