Senne Guns - De evolutie van de Eleboe

Na zijn muzikale avontuur met de eigenzinnige Belgische postrockformatie Tomán, heeft de Gentse muzikant Senne Guns tijd gevonden voor een eigen debuutplaat. ‘Hoera voor de Eleboe’ verwijst naar een vreemd gek wezen dat je misschien ooit zelf al in je droomwereld hebt ontmoet. Voor de toetsenist is deze Eleboe een droom die geleidelijk aan is uitgegroeid tot een Nederlandstalige plaat die airplay kreeg bij Radio 1, de voorbije zomer vele concerten opleverde en zijn band in het voorprogramma van Spinvis heeft doen belanden. “Ik heb echt geen reden tot klagen.”





Het lijkt alsof de Eleboe jou een roeping gegeven heeft. Heb je met dit album een droom verwezenlijkt?

Senne Guns: Het is vooral een droom die steeds opgeschoven is in mijn groeiproces als muzikant. Vroeger kon ik me tevreden stellen met het feit dat ik kon meespelen op iemand anders zijn album. Op het gebied van optreden was ik blij met een set op Pukkelpop, iets waar we met Tomán in geslaagd zijn. Met diezelfde band heb ik ook een album uitgewerkt, en dat heeft mij dan weer geprikkeld om zelf eens een plaat op te nemen.



Een album maken vraagt enorm veel tijd, energie en geld. Wat waren de doorslaggevende factoren die je overhaald hebben om juist nu die soloplaat te maken?


In alle eerlijkheid: ik heb die factoren niet tegen elkaar afgewogen. Het zijn meer de gunstige omstandigheden die tot dit album hebben geleid. Ik had al een stuk of 13 nummers klaar waarmee ik zeker nog een jaar kon optreden. Maar als je vaak optreedt, komt er onvermijdelijk de logische vraag: “gaat er geen cd van komen?”  Naar concertzalen en pers toe, heb je altijd een kapstok nodig om iets over te doen. En die kapstok is heel vaak een cd. Op die manier krijg je radio, pers etc. Kortom: factoren die je nodig hebt om ergens te geraken. De cd moest er dus hoe dan ook komen, en het financiële deel heeft zich daar gewoon aan aangepast. Het feit dat ik onmiddellijk na mijn studies werk heb gevonden dat vrij flexibel is in uren, liet mij ook toe hier tijd voor te maken.



Je hebt muziekproductie gestudeerd aan het conservatorium van Gent. Waarom heb je voor deze plaat dan toch nog twee externe producers (Gert Jacobs en Wouter Vlaeminck) ingehuurd?

Dat is een persoonlijke kwestie. Maarten en Jinte van Balthazar doen dat bijvoorbeeld niet. Ik daarentegen, heb het moeilijk om afstand te nemen van nummers die ik grotendeels zelf heb geschreven. Ik had echt nood aan twee mensen met een extra, en frisse, visie, die duidelijk konden zeggen: “dit klopt, dit klopt niet.” Een extra producer erbij halen, is trouwens iets wat ik altijd zal blijven doen. Ik vind het noodzakelijk dat er iemand aanwezig is die iets kan zeggen over nummers waar je zelf al te lang aan bezig bent.



Naast extra producers, heb je ook nog vier andere bandleden. De teksten schrijf je zelf, geldt dat ook voor de arrangementen?


Voor deze plaat zijn de arrangementen grotendeels tot stand gekomen in de studio. Dat wil zeggen dat er op het vlak van preproductie niet zoveel gebeurd is. Ik had wel een idee over hoe de plaat moest klinken, maar een gestructureerde visie over hoe ik daartoe moest komen, was er niet.



Met vijf à zes mensen brainstormen in de studio en zo de antennes in dezelfde richting zetten, was voor mij dus een ideaal scenario. Maar nu ik aan dat kostenplaatje van daarnet denk: door deze ervaring ben ik ervan overtuigd dat er bij een volgende plaat wel van in het begin een duidelijkere visie zal zijn. Ik zou dan ook veel meer dingen op voorhand uitklaren. Zo moet iets minder studiotijd boeken, en kan het dus toch iets goedkoper.



Conclusie: er zijn dus nog heel wat nummers geëvolueerd in de studio?

Inderdaad, bijna allemaal. Neem nu het nummer De Dag Walst: daar was het oorspronkelijke arrangement een hele pianowals à la Amélie Poulain. Uiteindelijk speelt die piano nu enkel de melodie.



Hoera Voor De Eleboe is ongeveer de enige track die ik helemaal zelf heb gemaakt. Dat nummer is vooral een elektronisch gericht idee, waarbij we in de studio al die vreemde klanken hebben proberen nabootsen. Daardoor ging de spontaniteit van het nummer verloren. In een studio zijn spontane ideeën zoveel beter dan gewoon iets na te doen, dus heb ik de originele versie behouden.



Hoera voor de Eleboe is meteen ook het minst representatieve nummer voor je plaat, maar heeft toch de plaats van titeltrack gekregen. Waarom?


Dat is een vraag waarmee ik ongeveer in elk interview naar het hoofd geschoten wordt, maar er is wel iets van aan. Puur stilistisch gezien, past niet alles op dit album even goed bij elkaar. Een harder nummer als In Milaan is iets totaal anders dan bijvoorbeeld Helder. Maar doorheen de productie, door overal een eigen touch aan te geven, zijn die nummers wel in elkaar beginnen overvloeien.



Juist omdat het in essentie een bonte verzameling van muziek is, leek het ons onmogelijk om er een allesomvattende titel op te kleven. Dus is het ‘Hoera Voor De Eleboe’ geworden. Het raakt kant nog wal, waardoor mensen er hun eigen invulling aan kunnen geven.



De meeste nummers zijn ‘uit het leven gegrepen’. Wanneer beslis je nu om zulke aangrijpende momentopnames op papier te zetten?

Niet alles wat er gebeurt in het leven, is even boeiend. Maar als er zich iets voordoet dat me aangrijpt en waarvan ik denk: “dat kan ik verwoorden, of proberen verwoorden, op een manier waarop het nog nooit verwoord is geweest”, dan probeer ik dat op papier te zetten. Een concreet voorbeeld is het Pukkelpopdrama van deze zomer, iets waarvan ik was aangedaan. Onmiddellijk nadien verschenen er, met alle respect, tribute songs en  reacties op facebook die hetzelfde medeleven proberen uitdrukken, maar op een manier waarvan ik denk “als ik hier ooit een nummer over schrijf moet ik dat echt niet zo doen. Dat is de evidente manier.” En daaruit is dan ook een nummer ontstaan dat redelijk goed samenvat wat ik erover denk en erbij voel, op een manier beschreven zoals, denk ik, nog niemand het gedaan heeft. Op zo een moment vind ik een nummer dan ook geslaagd.  Maar soms lukt het ook helemaal niet en verval ik in platitudes.



Wat is dan het nummer dat jou het nauwst aan het hart ligt?

De Nagelstudio, wat tegelijkertijd ook een mooi voorbeeld is van de evolutie van een dergelijk schrijfproces. Vroeger, toen ik mijn allereerste nummers schreef, richtte ik me concreet op de situatie. Voor die song had ik een enorm blad tekst klaar, dat de teloorgang van een heel gezin omschreef, zoals het toen ook echt gebeurd was. Alle randinformatie is er dan uiteindelijk uit verdwenen, waardoor die grote teloorgang geëvolueerd is naar het eenvoudige beeld van een vent in een midlifecrisis en een gezin dat daar algemeen aan kapot gaat. Ik denk dat de visie rond dikke borsten en die nagelstudio het zo origineel maken.



Je zegt ‘vroeger’, wil dat zeggen dat het schrijfproces nu makkelijker gaat?

Dat zal bij sommige mensen misschien zo zijn, maar voor mij gaat dat alleszins niet op. Peter Lesage (toetsenist van Flip Kowlier, Gabriel Rios en gekend van de band Moiano) zei me ooit: “als ik nummers wil schrijven, moet ik mij afzonderen en keihard werken. Flip Kowlier moet maar zijn laptop open zetten en binnen het uur staat er bij wijze van spreken een nummer op.” Ik behoor tot de categorie waartoe Peter zich rekent en dat is gewoon werken. Je neemt plaats aan een bureau of een piano, denkt, speelt, probeert, zit vast, gooit dingen weg,… Zo gaat dat dan.



Werken staat volgens het nummer De Dag Walst gelijk aan saaie, vaste patronen die vaak frustratie met zich meebrengen. Hoe zit dat in de muziekwereld?

Dat nummer is geschreven toen ik op de trein van Brussel zat met gigantisch veel pendelaars, die hun job duidelijk niet graag deden. Bij de terugrit zie je vaak uitgestreken gezichten waarvan je denkt: “Jezus, stop hiermee!” Dat is natuurlijk gemakkelijk gezegd. In dat opzicht is een leven als muzikant wel fijn, omdat het veel onregelmatiger is en je op allerlei plaatsen komt. Maar langs de andere kant ben je nooit op je gemak. Je moet springen wanneer ze jou nodig hebben. Soms zit je lang te wachten, gebeurt er niets en soms gebeurt er veel te veel tegelijkertijd… Dus het heeft allebei zijn voor- en nadelen.



Het moment waarop je als muzikant gefrustreerd kan geraken, is het moment waarop je naar buiten komt met je plaat en zegt: “ Dit is mijn ding, wat vind je ervan?” Als de mensen die er iets van moeten vinden, het helemaal niet vinden en het niet voelen zoals jij het voelt, terecht of onterecht, kan dat frustrerend zijn. Maar daarover heb ik niet te klagen. De respons op ‘Hoera Voor De Eleboe’ was heel goed. Ik heb deze zomer veel mogen spelen. Elk optreden zat goed vol en bovendien heb ik na elk concert nog een hoop cd’s kunnen verkopen.



Je gaat binnenkort op tour in het voorprogramma van Spinvis. Is hij een soort van inspiratiebron voor jou? Zeker en vast. Hij maakt ook Nederlandstalige muziek, maar wijkt helemaal af van het evidente. Dat maakt hem zo goed. Je weet ook op voorhand van zijn publiek dat het een zekere liefde voor muziek heeft, een publiek waar ik naar op zoek ben. Om dan in die voorprogramma’s te mogen staan, is fantastisch.



Het voorprogramma vullen lijkt daarentegen wel een moeilijke functie.


Wel: neen! Onlangs speelden we in de Rataplan, Antwerpen, en Raymond van het Groenewoud was komen kijken. Toen ik hem achteraf vertelde dat we in het voorprogramma van Spinvis mochten spelen, reageerde hij: “oh ja, leuk, hoewel ik dat vroeger altijd verschrikkelijk vond om voorprogramma’s te doen. De mensen komen toch niet voor jou.” Dat is waar, maar net daarom heb je niets te verliezen. Je kan enkel mensen voor je winnen, je en als ze niet toehappen, dan is het maar zo, ze waren er toch niet voor jou. Als mensen het uiteindelijk goed vinden, is dat geweldig. Dus, het voorprogramma: laat dat maar komen!



Succes!

12 november 2011
Mieke Meskens