Jonathan Jeremiah - Soms ben ik overdreven optimistisch

De tijd vliegt en, als we er te veel over nadenken, voelen we ons grijzer worden met de seconde, maar de vorige keer dat we met Jonathan Jeremiah spraken is alweer ruim tweeënhalf jaar geleden. Toen had de vriendelijke Brit ‘Gold Dust’ te promoten, zijn tweede boreling. En zoals dat dan gaat waren we nu uitgenodigd op de babyborrel om te praten over zijn derde, ‘Oh Desire’.





De openingsvraag is even klassiek als noodzakelijk: de eerste plaat is spannend omdat het de eerste is; de tweede plaat is spannend omdat het niet meer je eerste is en men met verwachtingen naar je kijkt; maar wat maakt de derde zo bijzonder?

Jonathan Jeremiah: Ik begrijp wat je bedoelt, maar ik ben muzikant. Voor mij is elke nieuwe plaat even spannend. Of het nu de eerste of de zeventiende is. Het is als kinderen op de wereld zetten: ongeacht het hoeveelste het is, je ziet het graag. Sinds ‘Stay Gold’ ben ik weer twee, drie jaar ouder geworden en dus ben ik ook als persoon veranderd. Er zijn nieuwe mensen in mijn leven gekomen, andere zijn weggevallen. En omdat ik altijd schrijf over de mensen die ik ken en gekend heb, zal ik dus ook altijd materiaal hebben om over te schrijven.

Het is de eerste keer dat je zelf je plaat producete en dat je met een vaste band hebt gewerkt. Een totaal nieuwe manier van werken dus.

Er was gewoon geen nood aan een producer. Ik weet beter dan wie ook hoe ik wil klinken. Ik heb dat altijd al gehad, weten welke richting ik uit wilde. De grootste verandering voor mij is dus het werken met een band. Ik ben altijd al jaloers geweest op de intieme band, die groepsleden onderling hebben, maar voor mij was het nog niet weggelegd. Aan mijn debuut ‘A Solitary Man’ (2011) hebben wel meer dan honderd muzikanten meegewerkt omdat de opnames zo lang hebben geduurd. Nu zijn we maar met zijn zessen en hebben we die connectie met elkaar. En dat is fijn.

Toen je eerste single Happiness uitkwam, twijfelden we nog of we dat een triest of een optimistisch liedje moesten vinden. Nu is het duidelijk: je bent een optimist van nature. Misschien is dat ook wel de enige manier om zeven jaar lang aan een plaat te werken tussen je jobs door en toch te blijven geloven dat het allemaal goed zal komen?

Ik ben heus niet elke dag vrolijk, maar ik ben wel optimistisch, ja. Soms zelfs overdreven. Je zal mijn muziek ook nooit horen in een café. Als ik een moment zou moeten voorstellen om mijn nieuwe plaat op te leggen, dan zou ik zeggen: doe het ’s ochtends; om een nieuwe dag te vieren. Ik vind optimisme belangrijk, maar ik ben niet naïef: ik weet ook wel dat we niet in de beste tijden leven. Misschien vind ik net daarom optimisme zo belangrijk. Er ontbreekt vandaag een gevoel van hoop in de wereld, maar ik wil me niet laten neerhalen door de wereld.

Je hebt ‘A Solitary Man’ dan ook netjes kunnen afwerken. Maar deze manier van werken lijkt me toch aangenamer.

Dat ga ik niet ontkennen. Het is aangenaam om zo om de twee jaar een plaat te kunnen lossen en te weten dat er iemand in geïnteresseerd gaat zijn. Dat was, toen ik aan mijn debuut aan het werken was, net dat beetje anders, want niemand kende me. Voor hetzelfde geld had ik zeven jaar gewerkt aan iets waar later geen hond in geïnteresseerd leek. Dat gezegd zijnde: toen had ik geen afleidingen en geen deadlines te halen. Dat heeft ook wel iets.

Er staan drie instrumentale tracks op ‘Oh Desire’, One, Three en Thirteen. Waarom wilde je dat?

Het zijn de drie tracks die de plaat iets filmisch geven. Ik ben een filmliefhebber en ik ging als kind ook heel erg vaak naar de bioscoop. Dat was toen altijd met pauze en die pauze werd aangekondigd door een bepaalde tune. Ik wilde op ‘Oh Desire’ ook een begin, een aftiteling en een pauze in het midden.

‘Oh Desire’ is een goed gekozen titel omdat verlangen de rode draad is doorheen de plaat. In Arms bijvoorbeeld zing je: “I wanna hold you in my arms / that’s all that really matters.”

Ik ben een tekstschrijver; meer dan ik muzikant ben. Zo zie ik mezelf toch. Mijn emoties zijn duidelijk aanwezig in de teksten, ik doe niet aan metaforen of andere symboliek zoals sommige, andere artiesten. Je hoort artiesten soms zeggen dat ze willen dat iedereen zich in hun nummers kan herkennen. Ik hanteer net het omgekeerde perspectief: in mijn hoofd schrijf ik voor één welbepaald persoon en ik hoop dan ook dat ik op concerten mensen het gevoel kan geven dat ik enkel voor hen sta te zingen.

Voel je nooit de behoefte om ook te schrijven over de grotere thema’s in de wereld? Je zei net al dat optimisme belangrijk is in een wereld waarin hoop lijkt te ontbreken. Daar schuilt ook materiaal voor songschrijvers in.

Ongetwijfeld, maar het is gevaarlijk om met politieke thema’s in songs te gaan spelen. Ik ben U2 niet. Het is ook moeilijk om een soort van maatschappelijk bewustzijn onder woorden te brengen. Ik blijf als persoonlijke songschrijver liever wat dichter bij mezelf.

Als journalisten het over jouw muziek hebben, halen ze steevast vergelijkingen aan met songschrijvers als Cat Stevens en Bill Withers. Zijn dat heren waar je zelf naar opkijkt?

Ik ben altijd blij als ze me met knappe, getalenteerde songschrijvers vergelijken uiteraard. Maar tegelijkertijd probeer ik gewoon mijn best te doen als hedendaags artiest en niet te klinken als iemand die vijftig jaar geleden succesvol was. Anderzijds weet ik wel waar de vergelijkingen vandaan komen. Dat gaat om een gemeenschappelijke noemer van vakmanschap en rust. Vergelijk het met het zetten van een goede kop thee: als niemand het nog doet, zal de kunst van het theezetten mettertijd verdwijnen. Zo moeten er ook songschrijvers blijven, die als vroeger klinken. Er duiken er ook weer heel wat op nu. Een deel van de mensen, die naar muziek luisteren, heeft genoeg van die luidheid die tegenwoordig heerst en grijpt terug naar artiesten, die dat vakmanschap van weleer doen herleven. 

Van Morrison heeft onlangs een plaat uitgebracht met enkel duetten. Lijkt dat jou iets?

Zeker, maar het is er een stuk moeilijker op geworden dan vroeger. Er komt meer rompslomp bij kijken voor je effectief tot een samenwerking komt. Tegenwoordig moet alles via advocaten en managers geregeld worden. En dat lijkt me zo vermoeiend als je dat voor een hele plaat moet doen.

Jonathan Jeremiah speelt op 12 mei in de Botanique tijdens Les Nuits.

12 april 2015
Geert Verheyen