Flip Kowlier Spelen is leuk, al de rest noodzakelijk kwaad

Spelen is leuk, al de rest noodzakelijk kwaad

Flip Kowlier is al langer meer dan ‘den dienen van ’t Hof Van Commerce’. Einde 2013 bracht hij zijn vijfde, zeer positief onthaalde solo-album ‘Cirque, De Avonturen Van W.M. Warlop’ uit. Ondertussen trok hij met dat album door Vlaanderen voor een theatertournee. We spraken hem in de Gentse Vooruit, kort voor zijn releaseconcert over Zwitserlandreizen met de mutualiteiten, over zijn vaste band, F.R. David, Gent en nog wat zaken.



Het circus is overduidelijk de rode draad doorheen je nieuwe album. In de perstekst staat dat je na een bezoek aan het circus met je zoontje bent beginnen schrijven aan nummers. Wat precies raakte je dan zo?
Flip Kowlier: Dat was vooral een gevoel van: "Oei is het dat maar?’ Als kind ga je naar "de cirque" en vind je dat overweldigend en groot. Door de ogen van een volwassene is dat dan twee keer niets. Toch was alles met veel zwier in show gebracht. Mijn zoontje was alleszins wel onder de indruk.

Als je dan thuiskwam, ben je dan vlot beginnen schrijven of is het eerder gegroeid?
Diezelfde avond ben ik nog beginnen schrijven, maar toen speelde ik nog niet echt met het idee om daar veel mee te doen. Het nummer Cirque heb ik toen geschreven. En dat zette me aan het denken dat er misschien nog wel meer te vertellen viel over dat onderwerp. Dat gaf me een goede drive om erin te vliegen.

Het was dus geen bewust plan om er een conceptplaat van te maken?
Op voorhand niet. Als je een onderwerp hebt als het circus, waar je veel verschillende personages lopen hebt, is het erg uitnodigend om iets in die richting te doen met verhaaltjes allerhande. Het leek mijn werk iets gemakkelijker te maken omdat er een duidelijke richting in zit.

Het is de eerste keer dat je iets dergelijks doet. Het vorige album, ‘Otoradio’, had vooral qua stijl (reggae, nvdr.) een duidelijke richting. Heb je het gevoel dat je iets van houvast nodig hebt?
Als het anders is dan de dingen die ik al gedaan heb, is de goesting om het te doen en om het af te werken groter. Als het bij wat losse ideeën blijft, is de lol er snel vanaf.

Hoe begin je eigenlijk aan een nummer?
Dat varieert nogal. Vaak begin ik met de tekst. Terwijl ik vroeger meer met een gitaar of zo een paar akkoorden had of één zin waarmee ik in mijn hoofd zat. Dat werd dan meestal het reffrein. Nu schrijf ik echt eerst de teksten en soms heb ik dan al een idee welke muziek daar moet bij komen. Vaak heb ik dat gevoel totaal nog niet en dan moet ik achteraf nog wat sleutelen om het te laten overeenkomen met de muziek.

Wat doe je het liefst? Een album opnemen of live spelen?
Live spelen zonder twijfel. Het leukste in de studio is ook het spelen zelf. Al de rest - met name het technische en de afwerking - vind ik ongelofelijk saai. Ik zie het als een noodzakelijk kwaad. Bij de nieuwe plaat ben ik voor de mix zelfs niet in de studio geweest. Ik heb iedere avond een paar mixen laten doorsturen en daar heb ik dan een keuze uit gemaakt.

Je hebt al veel verschillende dingen gedaan, van singer-songwriter over hiphop tot reggae en nu ook een aantal symfonische zaken. Zijn er nog stijlen die je wil uitproberen?
Die reggaeplaat wou ik al heel lang maken. Een echte rockplaat staat ook nog op het lijstje. In principe - en dat geldt ook voor deze laatste - is hetgeen dat ik doe altijd min of meer hetzelfde. Op dat reggae-album na dan. Het is inderdaad wat symfonischer uitgewerkt hier en daar, maar de kern blijft eigenlijk wel hetzelfde als altijd.

Hoe vertalen die strijkersarrangementen op je laatste plaat zich naar de live-setting?
Dat zal variëren van nummer tot nummer. Soms nemen andere instrumenten die over of neemt iedereen een stukje van het arrangement mee. Vooral toetsenist Peter Lesage heeft daarbij zijn werk. Bij andere nummers vallen we terug op samples, maar het is nooit zo dat er een hele backingband meeloopt. Dat is te beperkend. Nu is het zo dat de samples in kleine stukjes geknipt zijn en dat ze bijvoorbeeld per maat kunnen afgespeeld worden. Zo kan ik op het podium nog steeds mijn zin doen.

Je speelt al sinds je debuut met jezelfde band en werkt ook steeds met dezelfde producer. Vind je dat belangrijk?
Het klikt allemaal zeer goed. Zeker met de muzikanten is dat belangrijk. We kennen elkaar door en door en we zijn een toffe bende. Er zit geen enkel ego of een lastige mens tussen. We lachen steeds wat af en het belangrijkste: muzikaal doen ze wat ik van hen verwacht.

Je bent al van eind de jaren negentig actief als muzikant. Wat was eigenlijk je allereerste podiumervaring?
Waarschijnlijk zullen dat schoolfeesten geweest zijn, maar echt specifiek weet ik dat niet meer. Ik weet wel nog goed dat ik met de veertienjarigen naar Zwitserland ging met de mutualiteiten en dat we daar een playbackshow gedaan hebben. Maar als het om muziek spelen gaat, was het op school: we mochten op de opendeurdag wat nummertjes spelen. Ik was toen een jaar of vijftien.

Wist je toen al dat je die richting uit wou?
Ik wist in ieder geval dat ik dat wilde doen, maar misschien nog niet zo concreet. Toen ik bas beginnen spelen ben, besefte ik pas echt dat ik dat dermate graag deed. Uren en uren heb ik geoefend. Op dat moment was ik er op een of andere manier zeker van dat dit ook effectief allemaal ging lukken. Bij mislukken heb ik nooit stilgestaan, hoewel dat achteraf gezien misschien waarschijnlijker was. En mijn ouders gingen daar ook in mee. Daar heb ik wel geluk mee gehad.

In al je nummers schemert er vaak een grote brok nostalgie door. Wat is je eerste muzikale herinnering?
Met mijn ouders naar zee rijden en op de radio speelden ze Words (Don’t Come Easy) van F.R. David. Dat is het verste dat ik me kan herinneren, een nummer uit 1982. Ik was toen een jaar of zes. Er waren ongetwijfeld slechtere zaken die ik me zou kunnen herinneren.

Bij je nummers toon je vaak twee gezichten: melancholisch, gevoelig aan de ene en humoristisch, grappig aan de andere kant. Welk van de twee is het meest Flip Kowlier?
Ik ben mezelf niet echt van het verschil bewust terwijl ik die nummers maak. Heel vaak is het pas achteraf dat men me daar op wijst en dat het ook doordringt. Ik veronderstel dat dat deel uitmaakt van wie ik ben. Het zal vooral te maken hebben met de energie die je voelt op het moment of hoe je je voelt in het algemeen. Vandaar de variatie.

Je woont nu al een jaar of vijftien in Gent. Wat trekt je zo aan in de stad?
Er is zo veel te doen. Er is heel veel muziek. Toen ik wegging uit Izegem, was daar eigenlijk niet veel te doen. Ondertussen is dat wel veranderd. Maar hier kan je elke avond naar een optreden gaan als je wil. Er zijn in Gent nog veel cafés, die op regelmatige basis een band programmeren en dat is vrij uniek. In Antwerpen schijnt dat een groot probleem te zijn, die speelkansen voor jonge bands. Hier in Gent heb je veel en voor elk wat wils.

Democrazy is op dat vlak wellicht een belangrijke schakel daarin?
Het gegeven van een muziekclub die geen eigen zaal heeft is een geweldige formule. Ik weet dat ze zelf al een tijdje vragende partij zijn voor een vaste locatie, maar eigenlijk is net dat hun sterkte. Ze kunnen programmeren waar ze willen, afhankelijk van het aanbod en de vraag.

Je haalde zopas aan dat er in Izegem veel veranderd is. In die mate dat je zou terugkeren?
Voorlopig niet. Ik zit hier veel te goed in Gent. Ik heb hier echt wel mijn draai gevonden.


April 21, 2014
Patrick Blomme