Confuse The Cat - De bastard isoleren

Wij vinden Geert Plessers, de frontman van Confuse the Cat (CTC), een lieve mens. Wie het met ons oneens is kan een dooie kat in zijn gezicht krijgen. Plesser verdiende zijn muzikale krediet al ruim met de band Reiziger en is met CTC nu ook al aan zijn vierde werkstuk toe. We ontmoetten de artiest in het café van de Vooruit voor een praatje over muziek, leven, dood en ander ijdel tijdverdrijf des mensens.  





Jullie vierde cd heet 'Kericky'. Het is een wat rare naam, wat wil Kericky eigenlijk zeggen?

Geert Plessers: Kericky is een pokerspel dat de leden van een Amerikaanse band waarmee we tourden steeds speelden. Het wordt met dobbelstenen gespeeld. Eigenlijk is het spelletje uitgevonden door de bandleden van de eighties rockband Fugazi. Als je lang in de bus zit verveel je je vaak, en dan begin je soms de raarste dingen uit te vinden. Als je alle spelletjes al eens gespeeld hebt ga je er zelf maar bedenken. Ik vond het een goede titel, Kericky, omdat er een leuk verhaal achter zit. Ik vind Fugazi ook een erg sterke band. Ik ben helaas alle regels van het spel kwijt, nu. (lacht)

 

Je legt veel persoonlijke emoties in je albums. Hoe is dat bij deze vierde plaat gegaan? Klopt het nog?

Eigenlijk was er aanvankelijk geen vuiltje aan de lucht. We begonnen gewoon nieuwe nummers te schrijven. Maar mijn vader is gestorven net in het midden van het schrijfproces en, het klinkt wellicht wat zwaar en donker, dat heeft me geïnspireerd. Ik heb de aftakeling van mijn vader heel bewust gevolgd. Hij had de ziekte van Alzheimer. Het voorbereiden van zijn sterven gaf ongelofelijk veel input om dingen te doen. Het is niet zo dat de plaat een rouwproces is, maar het herkennen van doodgaan en wat doodgaan is zit er in. Mijn vader lag op de palliatieve afdeling, een feit dat heel confronterend was. Maar anderzijds besefte ik plots dat het leven iets eindigs is. Ik wist niet dat sterven zo knap kan zijn. Ik heb het puur fysieke van het sterven zeer bewust meegemaakt. In de laatste minuten gingen de pupillen van mijn vader wijd open. Dat is eigenlijk een normaal natuurlijk effect, maar je plakt er automatisch veel verhalen aan. Het was een heel speciaal moment. Hoe raar het ook klinkt, ik was heel benieuwd hoe iemand weggaat, ook al was het mijn vader. Anderzijds zijn er ook veel vrolijke momenten op de plaat. Ik denk dat het een plaat vol contradicties is geworden, heel donker maar bij momenten ook vrij zonnig.

 

Vind je dan niet dat het hele ziekenhuisgebeuren de mens ontmenselijkt? Dat het hem tot een nummer maakt?

Wel, ik heb het allebei meegemaakt. Tijdens de periode waarin hij nog niet op palliatieve lag had het inderdaad wat weg van een fabriek. Daar waren de contacten heel koud en was hij een nummer. Maar op de palliatieve afdeling staat de waardigheid centraal en wordt er heel puur gewerkt rond zo goed mogelijk afscheid nemen. Ik ben nog jong en het is zeer erg om je vader zo jong te verliezen maar ik ben blij dat het allemaal zo verlopen is. Ik had leren leven met de voorspelbaarheid van de ziekte. Wanneer mijn vader Alzheimer kreeg wist ik dat het een sprint naar het einde was.

 

Je hebt eerder gezegd dat je in onverschillige periodes heel moeilijk kan schrijven. Ooit al geprobeerd om de onverschilligheid als thema te gebruiken?

Weet je wat raar is? Als ik terugblik is er weinig onverschilligheid in mijn leven. Ik neem vlug een standpunt in, niets laat mij koud. Ik prijs me gelukkig dat ik dat gevoel heb. Ik denk dat ik soms onbewust wel onverschillig ben maar meestal word ik toch beroerd door iets. Ook al is het maar door iemand die een stuk vuil op de straat werpt. Ik zou er niet voor kunnen kiezen om onverschillig te zijn.

 

Wat was de inspiratie voor het kleine meisje op de albumhoes?

We vonden dat het beeld sterk moest zijn. Onschuld is een belangrijk thema op het album. De ogen vertellen veel op de foto, het meisje kijkt je recht aan. We hebben er eigenlijk niet veel over nagedacht, we hadden een fotograaf die ons een mooie presentatie toonde. We hebben meteen gezegd, “die foto”, en die is het dan ook geworden. Het is het nichtje van de fotograaf. Hij heeft haar een half uur in de zandbak laten spelen en dan simpelweg een foto getrokken.

 

Er zitten veel epische momenten in de cd. Waar komen die vandaan?

In sommige nummers zit inderdaad veel pathos, ze zijn theatraal. Ik ben sowieso iemand die in superlatieven denkt en spreekt. Dat is mijn natuur en dat hoor je natuurlijk in de nummers.

Helemaal achteraan staat er ook een echte kathedraal van een nummer. Daar moet je wat lef voor hebben, je moet erover durven te gaan. Halve emotie is ook niets, als je erover gaat moet je er goed over gaan. “Overdrijf maar wat”, zeg ik dan.

 

Wat vind je dan van vaak verguisde bands als Coldplay en U2, die als het ware drijven in hun eigen pathos?

Arcade Fire is ook een band die erover gaat, maar dat is dan wel een cultband. Het verschil zit hem in de uitstraling op podium. Als je Arcade Fire ziet musiceren dan laat dat je niet los als toeschouwer. Het kan je niet onberoerd laten. Er is altijd iets te zien. Coldplay doet dat ook maar het is allemaal zo gelikt. Chris Martin remixt zijn nummers ook met rapartiesten en dergelijke, dat is niet slim vind ik. U2 is een andere kwestie. Ik vind de oude U2 zeer goed. Ik heb ze nog gezien in ’86 en dat was echt heel straf toen. Het militante dat toen in U2 zat was erg indrukwekkend. Bono is een Übermensch.  

 

Sommige van je teksten lijken te verwijzen naar het onvermogen van andere mensen om je te helen? Klopt dat?

Ik heb een heel zware ziekte gehad, ik dacht dat ik eraan ging. Ik had geen controle over die ziekte. Het voelt zeer unfair aan als je jong bent. Je gelooft niet dat het je kan overkomen. Veel mensen zaten met me in maar niemand kon me helpen. Ik was afhankelijk van wat chemo voor me kon doen. De dierbaren rond mij leverden zoveel inspanning om me eruit te trekken terwijl het ongrijpbaar was. De onmacht die ik in hun ogen zag was zeer groot. Eigenlijk was ik de sterkste, ik moest hen troosten want zij hadden schrik om mij te verliezen. Mensen stelden zich vaak de vraag “hoe zou het met hem zijn?”, maar zij voelden niets, alleen ik kon voelen wanneer het beter ging. Het was een heel sterke ervaring.

 

Geldt dat ook in andere situaties, dat je het gevoel hebt dat anderen ondanks hun inspanningen niet kunnen helpen?

Mijn ziekte was een knoert van een levenservaring. Het klinkt cliché, maar ik heb geleerd wie ik ben. Er is duidelijk een periode voor en na de ziekte. Na mijn ziekte heb ik besloten om de bastard in mezelf te isoleren, of het nu gaat om een ruzie in een relatie of om iets anders. Ik kan mezelf veel makkelijker onder controle houden, gewoonweg omdat ik iets meegemaakt hebt waarin je wel moet leren om je pijn te controleren. Je moet hele dagen je pijn controleren als je kanker hebt. Ik dacht voortdurend over pijn na, en ik wist dat hij ging wijken en op dat moment moet je wachten. Uiteindelijk ben ik ervan geschrokken hoe ver je kan gaan zonder te vragen naar een pijnpomp. Daarvoor wist ik niet dat het kon, iets isoleren door mentale kracht. Je kan alles in jezelf isoleren, wat het ook is.

 

Het is een techniek dan, ‘de bastard isoleren’?

Ja dat is zo, ik zie het echt als een techniek. Soms vergeet je hem eens maar op cruciale momenten moet je het kunnen.

 

Gebruik je die techniek ook op het podium? In de muziek?

Ja, ik kan me wel eens laten irriteren door een slechte monitor bijvoorbeeld. Ik probeer me zoveel mogelijk uit te leven, als het eruit floept geneer ik me niet. Ik ben wie ik ben. Ik houd geen rekening met wie er voor me staat. Vroeger dacht ik meer ‘doe ik het wel goed?’, ‘draag ik wel de juiste jeans?’, ‘heb ik de juiste platencollectie?’. Met het ouder worden is dat weggegaan. Ik hecht veel belang aan feedback. Maar ik kies zelf de personen uit die feedback aan me mogen geven. Sommige journalisten horen daar ook bij, bepaalde journalisten liggen me nauw aan het hart. Als ik het gevoel krijg dat ze begrijpen wat ik wil doen met een tekst, een melodie of een ritme dan vraag ik hen wel eens om een reactie op iets nieuws. Maar na een optreden op iemand afstappen en vragen hoe hij het vond, doe ik niet.

 

De laatste tijd wordt er weer veel gebruik gemaakt van elektronische samples in rockmuziek. Een tijd geleden kon dat absoluut niet. Wat vind je van dat proces?

Ik vind heel dat proces van reactie en tegenreactie belangrijk. Ook binnen de band gebeurt dat, in kleine facetten dan. Gert Keunen, de pophistoricus, zegt ook dat er op het einde van de jaren zeventig en in het begin van de jaren tachtig in de muziek een gigantische reactie kwam op de omstandigheden van de crisis. Het was het begin van de punk en de new wave. Anderzijds waren er ook mensen die vrolijke muziek bleven maken, disco bijvoorbeeld. We zitten nu ook in een situatie waarin er crisis is, ik denk dat daar vaak zeer creatieve dingen uit komen. Dat hoop ik toch.

3 februari 2009
Frank D'hanis