Buscemi & The Michel Bisceglia Ensemble Toots is into techno

Toots is into techno
Wij, de coole, swelle hipstercats van daMusic, trokken per goederenwagon - want zo hoort dat - naar het hoofdkwartier van EMI Belgium om dj Buscemi uit te horen over zijn gloednieuwe jazzcapriolen. Voor zijn nieuwe plaat werkte Dirk ‘Buscemi’ Swartenbroekx immers nauw samen met jazzmuzikant Michel Bisceglia en diens ensemble. En daaruit volgde, zoals de intelligentere lezer al verwachtte, geen nieuw elektronisch album, maar een zeer dansbare jazzplaat.


Bij onze aankomst in de kantoren van het platenlabel was de sfeer een beetje gespannen. Buscemi kreeg net te horen dat Marc Moulin, een van zijn vrienden, gestorven was. Na enig oponthoud werden we toegelaten in het kleine salon waar het interview zou plaatsvinden. Buscemi en Michel Bisceglia lieten ondanks de omstandigheden een vrolijke en enthousiaste indruk op ons na. Of lag het aan ons, omdat we zelf zulke uit steen gebeitelde apathische emotieloze maar hippe rotzakken zijn? Jazz baby, jazz. 

Jullie hebben met deze nieuwe plaat al een paar keer opgetreden, onder andere op Gent Jazz. Hoe was dat?
Buscemi: Dat is goed meegevallen. Het was een beetje een try-out voor ons, de eerste keer spelen met deze groep jazzmuzikanten. Het was de eerste keer dat we met elf mensen op het podium stonden. We openden het jazzfestival in Gent en ook dat, spelen om 19 uur, ben ik niet gewoon. Ik speel meestal ’s nachts. Het was dus allemaal wat afwachten hoe de reacties waren, maar het liep heel goed.
 
Is je publiek anders nu je jazzy optredens geeft? Jullie laatste plaat trekt wellicht een ander soort publiek dan de voorgaande platen van Buscemi?
Buscemi: Ik weet het eigenlijk niet goed. Mijn platen werden altijd al door mensen van alle leeftijden gekocht. Misschien zullen de jongsten nu even afhaken, maar wees gerust, er komen wellicht nog soloalbums van me. Alleen heb ik nu even een ander project en zullen we zien wat het geeft. Het is alleszins kicken om de plaat op het Blue Note Label te kunnen uitbrengen. Het is een avontuur waar ik ben ingestapt. Voor het eerst werk ik samen met Michel en andere echte muzikanten. Vroeger deed ik alleen samples en elektronica, nu is het fifty-fifty met live-instrumenten.
 
Jazzmuzikanten staan meestal nogal op improvisatie en virtuositeit, terwijl dj’s eerder een gevoel doorgeven. Hoe gaan die twee werkwijzen samen?
Bisceglia: Slechts een deel van de muzikanten maakt echt intellectuele jazz, niet elke muzikant is zo. De muzikanten stellen zich nu vooral ten dienste van het totaalbeeld. Het dj’en is daar een gedeelte van en de jazzimprovisatie is daar ook een deel van. Samen vormt dat één groot geheel. Ook tijdens de opnames was er plaats voor improvisatie in de structuur van de liedjes. Iedereen gooit zijn expertise op tafel om het geheel goed te maken. Daar hebben de muzikanten geen problemen mee, die kunnen zich ten dienste stellen van de muziek.
Buscemi
: De nummers die we brengen zijn oorspronkelijk van mij, dus het is ergens logisch dat elektronische muziek de hoofdmoot vormt, je kunt dat niet volledig uitschakelen. Maar de wisselwerking tussen organisch en elektronisch werkt bijzonder goed. Michel heeft speciale arrangementen uitgeschreven voor mijn nummers en daardoor klinken die volledig nieuw. De nummers vinden zichzelf bijna opnieuw uit. Zelfs voor mij is het soms verrassend om nieuwe dingen te horen. "Dat zit er ook in" of "Dat had ik nog niet gehoord", denk ik dan.
 
Je zit in de scene van de latinmuziek. Ga je ooit iets anders doen?
Buscemi: Goh… (denkt na) Mijn eerste platen waren latin, maar ik denk dat ik intussen toch ook al andere dingen gedaan heb. Op mijn voorlaatste plaat 'Retro Nuevo' ben ik bezig geweest met andere stijlen, zoals balkan, flamenco, ... Momenteel ben ik heel veel met balkanmuziek bezig. We gaan de laatste maanden van december in New York draaien en daar spelen we in balkanclubs. Het is muziek die me fascineert. Maar ik ben evengoed gek van jazz of van latin. Ik heb altijd van alle stijlen gehouden. Het pure latinaspect van het begin is een beetje verminderd, ik sta open voor veel andere invloeden.
 
Waarom is balkanmuziek nu zo populair?
Buscemi: Ik ben er al vijf à zes jaar mee bezig. De muziek van Goran Bregovich vond ik altijd heel goed, Roemeense groepen ook. Nu wordt die muziek opeens gehypet. Ik heb Sahib Balkan, mijn balkanlied, al jaren geleden uitgebracht. Zelfs Basement Jaxx heeft het nummer in een compilatie gezet. Ik weet niet goed vanwaar die plotse aandacht komt. Mij heeft het altijd gefascineerd. Ik houd niet zo van hypes, het zal allemaal wel weer overwaaien. Latin is ook een tijd heel hip geweest en dan was het weer allemaal elektro wat de klok sloeg. Ik heb het eigenlijk nooit gevolgd, ik heb altijd mijn eigen ding gedaan.
[pagebreak]
Mis je je eigen undergroundroots soms?
Buscemi: We doen nog optredens in de underground. Vorige week hebben we in Vilvoorde een snoeiharde drum&bass-set met ouwe jingles gedraaid. Ik vind dat alles kan en ik kom nog steeds veel in die kringen. Een van mijn eerste bands was een slijpschijvencombo. Het was noise à la Melvins. Twee gasten gebruikten slijpschijven op ijzeren balken, de vonken en al de metaalresten vlogen het publiek in. (Bisceglia lacht) Dat was te gek. Ik zou het nu niet meer doen, maar het was wel tof.

Hoe is de toenadering tussen jullie er eigenlijk gekomen?
Bisceglia: Ik had eigenlijk een project, een bedrijfsevent, waarvoor ik speciaal op maat gemaakte muziek moest uitwerken. Ik kwam op het idee om het project op te bouwen rond de muziek van Buscemi, maar dan met een jazzcombo en met Toots Thielemans. Dat was een eerste experiment op weg naar de plaat die er nu is. Toots was ook zeer interessant.
Buscemi: Toots was ‘into techno’.
Bisceglia: (lacht) Dat zei hij, ja. Het was een geweldige ervaring en toen heb ik de eerste keer muziek van Buscemi bewerkt. Daarna heb ik nog een symfonie voor dj en orkest geschreven voor een concert in Hasselt, een tweede positieve ervaring. En daarna voelden we dat we echt iets samen moesten doen.

Hoe is je liefde voor etnische muziek begonnen, Dirk?
Buscemi: Een van mijn eerste platen - ik moet 14 geweest zijn - was een bossa nova-plaat. Het is allemaal begonnen door artiesten zoals Gilberto Gil. Toen ik 15 was, kwamen de punk en new wave op en ik was daar helemaal gek op. Nog later ben ik veel naar Fela Kuti gaan luisteren, toen ik 19 was. Dat is al bijna dansmuziek. Ik vind dat nog altijd heel goede muziek en draai hem nog regelmatig in sets. Je zit niet ver meer van housemuziek, dat repetitieve percussieve element zit er al in. We leven in een tijd waarin je eigenlijk alles van muziek kan combineren, van balkan, beats tot Afrikaanse muziek. Ik word het voorlopig alleszins niet beu om dat te doen.

Hoe reageren etnische muzikanten op de assimilatie van hun muziek? Ooit al reacties gehad?
Buscemi: Ja, voor Marcus Valle, een van de toppers uit de bossa nova, heb ik een remix gemaakt. Hij was daar heel tevreden over en vond het een erkenning dat wij hier in Europa zo gek zijn van bossa nova die in de jaren zestig is gemaakt. Dat vond hij fantastisch. Madredeus heeft ook heel positieve reacties gegeven. Ze vond het geweldig wat we met de fado, de muziekstijl uit Portugal, deden. De meeste respons komt uiteraard van de muzikanten die je zelf remixet. Artiesten die wereldmuziek maken, hebben geen oogkleppen op. Alles kan door elkaar nu, ik vind die openheid heel leuk.

Heb je ooit al een negatieve reactie gehad uit de hoek van de wereldmuziek of de jazzwereld?
Buscemi: Eén keer, vorig jaar op Jazz Middelheim. Iedereen ging uit zijn dak en we kregen erg veel lof, maar op het forum was er een tiental reacties van jazzpuristen die vonden dat digitale muziek niet op een festival hoorde. Er zijn mensen die er gewoon niet tegen kunnen. Dat vind ik spijtig. Die mensen hebben oogkleppen op. Elk festival moet met zijn tijd meegaan. Maar ik lig er niet wakker van. Alle genres vervagen, grenzen vervagen.

Je kan dus eigenlijk heel de wereld rondreizen en muziek maken, maar je hebt een Vlaamse jazzfanaat nodig om je met de oogkleppenreflex te confronteren?
Buscemi: (lacht) Misschien wel. Ik heb nu toch al met artiesten uit 25 of 30 landen gewerkt en we hebben verder nog nooit problemen gehad. We zijn in Benin - of all places - gaan draaien, voor zwarte mensen, op het strand, geen rijken of bevoordeelden, echt mensen van daar. Die dansten op James Brown, maar ook op balkan, op ska. Het kan allemaal. Het gaat om de groove, om het goede gevoel. ‘Music is the message’, zoiets.
[pagebreak]
Ooit extreme festivalervaringen gehad?
Buscemi: We hebben ooit op Burning Man gespeeld, in de woestijn van Nevada. Veel naakte mensen kwamen er op het podium dansen, vooral vrouwen. En dan sta je plots op het podium met zes naakte vrouwen, wel een speciale ervaring. We hebben er een week gezeten. Je zit helemaal geïsoleerd in die woestijn en we draaiden in een constructie waar het van 12 tot 8 uur ’s morgens een constante rave was.
Er waren daar spanking clubs, mensen die elkaar met zwepen achterna liepen. Je had vrouwen die verkleed waren als nonnen, mensen verkleed als eekhoorn die op een klein fietsje volgeladen met bier rondreden. Er was daar ook een luchthaven en op een bepaald moment landde er een vliegtuig, zo’n antieke tweedekker. Daar kwam een man uit in een sinterklaaspak, met een staf en een mijter en alles erop en eraan. Het is er te gek voor woorden. We kwamen als zombies terug thuis, het is een constante strijd met de natuurelementen en jezelf.

Je maakt al meer dan tien jaar muziek op het hoogste niveau. Hoe denk je dat het komt dat de songs van toen overeind blijven, dat ze niet gedateerd klinken?
Buscemi: Voor deze plaat hebben we nummers in een nieuw jasje gestoken die ik tien jaar geleden gemaakt heb, zoals Ramiro’s Theme. Als ik die nummers draai, zie ik mensen erop dansen die het nummer niet eens kennen. Het heeft dus iets. Maar wat maakt iets een goed nummer of goede muziek? De studio is een goocheltuin. Ik ga niet pretenderen dat mijn nummers tijdloos zijn, dat zullen we zien over twintig, dertig jaar. Ik vind jazz de meest tijdloze muziek. Ik luister al twintig jaar intensief naar oude jazz en dat verveelt me nooit.
Bisceglia: Je hebt ook muziek die gedateerd klinkt, maar op een stijlvolle manier rijpt. Op zich is dat niet erg. Goede muziek veroudert zoals een oldtimer. Een ouwe Citroën C3 is vijftig jaar, maar ziet er nog altijd mooi uit. Sommige dingen worden oud en lelijk, maar dat weet je niet als je het aan het maken bent. Je neemt alles wat je hebt, al je kennis van zaken en je gooit die in het veld.

Heeft het feit dat jullie geen tekstuele muziek maken daar iets mee te maken?
Buscemi: Ik wil gewoon dat mensen muziek mooi vinden en er zich op amuseren. Er is alleen een feel good-boodschap, een soort van multiculturele sfeer van happy together. Dat klinkt misschien wat pathetisch, maar zo is het. Dat wil ik uitstralen. We hebben een Afrikaanse zangeres, we werken met een Braziliaanse zangeres, een Duitse bassist, een Nederlandse zangeres en Michel is Italiaan. Alles komt samen in de muziek.

Heb je nooit de neiging om een melancholische touch in je muziek te leggen?
Buscemi: Ik verwerk dat in mijn muziek. Mijn muziek is happy, maar met een melancholische ondertoon. Of dat zeggen ze toch. Ik heb een voorliefde voor akkoorden die wat weemoedig klinken. Ik ben een kind van de eighties, ik vind Joy Division bijvoorbeeld sterke muziek. Maar om het zelf te maken, nee, dat hoeft niet. Misschien komt het nog, als ik in zak en as zit of diep in de put. Maar voorlopig niet. (lacht) Ik ben vrij tevreden en doe mijn ding. We hebben een heel donkere filmsoundtrack gemaakt, maar van deze plaat moet de levensvreugde afspatten.

Gesnopen. Bedankt voor het gesprek.

November 8, 2008
Frank D'hanis