Buffalo Tom - Het is een voorrecht om ons zelf aan het publiek voor te stellen

Buffalo Tom heeft met ‘Quiet And Peace’ een nieuwe plaat. Wij spraken net voor hun optreden op het Cactusfestival met de aimabele frontman Bill Janovitz over heden en verleden en het comfortabele en dankbare leven in de schaduw van de grote rocksterren.

 

 

Tussen 1998 en 2007 zijn jullie er tussenuit geweest. Wat deed jullie besluiten om er weer tegenaan te gaan?

Bill Janovitz: Eerlijk gezegd zijn we nooit echt gestopt. Als we destijds al iets beslist hebben was het gewoon dat we er even tussenuit gingen. Die break werd uiteindelijk een zeer lange break. Niemand van ons drie keek er dus naar uit om lange tijd onderweg te zijn. Bovendien was er van alles drastisch aan het veranderen in de muziekindustrie en was er geen platenmaatschappij die ons absoluut wilde tekenen.

We zijn wel altijd een of twee keer per jaar blijven spelen in onze thuishaven Boston. De chemie die er was tussen Chris, Tom en mezelf bracht ons altijd terug bij elkaar. We speelden wel met andere muzikanten, in andere bands en in andere bezettingen tussendoor, maar terugkeren naar Buffalo Tom voelde altijd als thuiskomen. Het voelde en voelt gewoon goed en natuurlijk aan.

Die andere projecten waren interessant; ze leerden ons nieuwe dingen en maakten betere muzikanten van ons, maar als een band een goede band is, zou het jammer zijn deze te laten schieten. Daarom zijn we opnieuw gestart.

We wilden ook een nieuwe plaat maken in plaats van een nostalgische greatest hits-band worden. Alhoewel, we wilden vooral niet énkel een nostalgische band zijn.

Je zegt zelf dat er veel veranderd is tijdens jullie sabbatical. Wat is het grote verschil tussen Buffalo Tom in de jaren 90 en Buffalo Tom 2.0?

Muzikaal misschien niet zo heel veel. We proberen wel kleine vernieuwingen, maar het is niet dat we bij wijze van spreken het wiel opnieuw uitvinden. Het verschil zit hem vooral in de teksten. We schrijven vanuit een persoonlijk perspectief, niet altijd letterlijk en autobiografisch, maar toch zaten die elementen erin. Onze levens zijn gewoon anders geworden. We kregen kinderen, we trouwden, we zijn gescheiden.

Daarnaast zijn we ook betere muzikanten geworden. Toen we begonnen leerden we samen onze instrumenten bespelen en beheersen en ontwikkelden we onze stijl in functie van Buffalo Tom. Door samen te spelen met anderen pikten we nieuwe dingen op. Ik weet daarom dat ik nu een betere gitarist ben dan toen.

Ook sociale media zijn ondertussen niet meer weg te denken. Ben je daar helemaal in mee?

Ik doe dat allemaal zelf en graag. Persoonlijk besteed ik er zelfs te veel tijd aan; het is haast een kleine verslaving van mij om constant mijn smartphone te checken en dingen te delen. Ik volg dus ook de kanalen van Buffalo Tom op en voorzie ze van content.

Jullie nieuwe plaat ‘Quiet And Peace’ heeft ook behoorlijk lang op zich laten wachten. Zijn jullie uiteindelijk tevreden met het eindresultaat?

Zeker! Ik denk ook niet dat we het zouden uitbrengen mochten we er niet tevreden over zijn. We doen ook alles zelf en er zit niemand achter onze veren, dus we nemen onze tijd tot de plaat op punt staat.

Zijn er dingen waarvan je ze nu al anders zou doen?

Zo zijn er altijd wel zaken, maar het duurt een tijdje om tot dat besef te komen. Hetgeen waar we aan werken vinden we altijd goed en het is de moeite waard, want anders zouden we het op het moment zelf wel aanpassen. Persoonlijk vind ik dat we door de jaren heen zijn blijven groeien als songschrijvers. De feedback van de fans vinden we in dat opzicht ook wel heel belangrijk.

Zijn er dan van die aanpassingen die jullie live in jullie set steken?

Melodieën en gitaarriffs zijn nooit vastgeroeste zaken. Een plaat is altijd een momentopname en het is niet dat we die live exact willen brengen zoals ze opgenomen is. Onze oude songs zijn doorheen de jaren inderdaad wel wat losser en vrijer geworden. Ze zijn geëvolueerd of misschien wel gedevalueerd! (lacht)

De Simon & Garfunkel-cover is een van de meest opvallende songs op de plaat omdat je ze met je dochter Lucy opnam. Wat is het verhaal daarachter?

Net voor we ‘Smitten’ uitbrachten, onze laatste plaat uit de jaren 90, probeerden we enkele nieuwe zaken. We werkten in de aanloop naar die plaat samen met Thomas Gorman van de band Belly. We huurden een huis op Chappaquiddick Island niet ver van Boston, plaatsten er wat opnamemateriaal en namen een pak covers op. Sommige daarvan kwamen op B-kantjes terecht.

Een van die covers was The Only Living Boy In New York. Thomas zong en ik deed de backing vocals. We maakten er een zeer rustige, trage versie van. Terwijl we aan het werken waren aan ‘Quiet And Peace’ vond ik die opname terug en ik stuurde ze naar Chris en Tom, maar ook naar Thomas en Tanya Donelly (zangeres van Belly nvdr). Iedereen was nog steeds enthousiast en Chris stelde voor om de song opnieuw op te nemen voor de nieuwe plaat.

Ik was thuis overdubs aan het opnemen en was het beu om steeds mijn eigen stem te horen. Mijn dochter zingt in de schoolband en in het schoolkoor, dus liet ik haar een paar opnames doen en zo is het ook op de plaat gekomen.

Heeft ze het nog nooit live gezongen?

Toch wel. Ze zong het een keer live tijdens een akoestisch optreden afgelopen januari in een kleine club in Boston. Ze zong het stuk dat Chris zong op de opname en het tweestemmige stuk.

Is er een vaste werkwijze bij Buffalo Tom als jullie schrijven en opnemen?

Het komt zoals het komt. We beginnen sowieso bijna altijd met een live jam die we opnemen en we bewaren ook al die opnames. ‘Sleepy Eyed’ is ook bijna volledig live op de plaat gekomen zonder veel overdubs achteraf.

Maar over het algemeen nemen we onze tijd en gaan we van de live opnames ook nog aparte delen opnemen om die te monteren. Een beetje zoals de meeste bands eigenlijk.

Ben jij dan de songschrijver of is het echt een groepsproces?

Het begint meestal met een idee van Chris of mezelf. We schrijven de nummers apart, maar dan komen we samen en werken we deze samen uit. Sommige songs kunnen dus nog enorm veranderen, maar andere komen eigenlijk quasi ongewijzigd op de plaat.

Vroeger moest al dat gesleutel aan songs in de studio gebeuren en dat kon wel even duren. In die mate zelfs dat onze drummer Tom gewoon wegging. Tegenwoordig doen we nog wel zaken in de studio, maar ik kan ook zoveel thuis doen en ondertussen weet ik ook wel wat de anderen oké zullen vinden. Wanneer het toch niet goed genoeg is, is het digitaal nog makkelijk bij te sturen.

Ondanks het gemak van thuiswerken is het toch plezanter om samen in een ruimte te zitten en aan muziek te werken.

Wat verkies je: live spelen of in de studio zitten?

Ik hou enorm van een beetje toeren, maar ik hou absoluut niet van veel toeren. Ik krijg dan heimwee en ben het snel beu om ganse dagen onderweg te zijn. Ik geniet van het reizen en de ontmoetingen met mensen. De tijden van tours van 6 weken zijn voorbij en maar goed ook, want die nemen het plezier van het reizen weg. Ideaal is het als je de kans hebt om je familie dicht bij je te hebben en tussendoor samen toeristische dingen te doen.

Ik hou enorm van optreden, maar ook van het opnemen. Eerlijk gezegd: ik geniet meer van het opnemen dan Chris en Tom omdat ik ook het meeste te doen heb. Ik kan echt genieten van het opnameproces en kan achteraf ook enorm veel voldoening halen uit het eindproduct.

Het is natuurlijk een voorrecht om als kunstenaar de baan op te kunnen en je eigen creatie voor te stellen aan het publiek. Schrijvers schrijven, ze geven een boek uit en het is klaar. Regisseurs en acteurs doen hun ding voor die ene film en als het klaar is hoeven ze er niks meer voor te doen. In theater is de opvoerder van een stuk in veel gevallen niet dezelfde als degene die het geschreven heeft. Het is dus uniek dat je je songs schrijft, opneemt, uitbrengt en ze dan steeds opnieuw gaat brengen.

Jullie kwamen in het verleden al vaak in België. Wat is dat tussen België en Buffalo Tom?

Het was een van de eerste plaatsen waar Buffalo Tom echt doorbrak en veel van onze meest loyale fans komen uit België. Het is ook erg leuk dat het Belgische publiek tijdens een optreden écht luistert.

In Amerika is het moeilijker om nationaal door te breken, want het is bij wijze van spreken een continent op zich. We waren bekend en groot in bepaalde regio’s, maar in andere dan weer totaal niet. In België kunnen we overal komen. Onze bekendheid hier is ook erg consistent.

Klopt het dat Pearl Jam ooit jullie support-act was?

Zoiets. (lacht)

Is het niet raar dat zij nu voor grote stadions spelen?

Totaal niet. Ik zie hen echt als rocksterren en geweldige muzikanten. Ze openden toen in een line-up van allemaal bands die uiteindelijk vrij groot zouden worden zoals Hole en Smashing Pumpkins. Dat waren toen letterlijk onze support-acts, maar je merkte al dat de buzz rond die bands aan het groeien was. En toen Nirvana doorbrak veranderde gewoonweg alles…

Veel van die bands deden het al goed hier in de VS, maar toen ging de wereld echt open. Pearl Jam was een band met muzikanten die in de lokale muziekscene bekend waren, maar nog niet lang in die bezetting van Pearl Jam speelden. Ze openden dus niet echt voor ons, maar maakten deel uit van een volledige line-up op het festival van een lokaal radiostation. Een paar weken later kwam ‘Ten’ uit en waren ze 'big'!

Wel leuk om mee uit te pakken…

Nee, het is eerder triest om mee uit te pakken! (lacht) Al die bands zijn uiteindelijk grote rocksterren geworden en wij… wij zijn Buffalo Tom gebleven.

Wat Pearl Jam nu doet gebeurt echt op hun eigen voorwaarden. Ze worstelen niet met zichzelf en met wat ze doen. Nirvana had dat bijvoorbeeld wel. Kurt Cobain wou eigenlijk niet liever dan in een kleine punkrockband spelen.

Ik vind het wel oké zo. Ik ben gelukkig met mijn leven en ben blij rustig te kunnen rondtrekken en muziek te spelen. Om te leven en muziek te mogen spelen is een godsgeschenk. Ik hou wel van de balans in mijn leven. Zou ik liever geen gewone job hebben en miljoenen verdienen en een grote rockster zijn? Ik zou liegen als ik zeg dat dat niet leuk zou zijn.

Stel, je krijgt carte blanche om een festival of concertdag te organiseren. Welke artiesten of bands, dood of levend, zou je uitnodigen?

Ik zou sowieso gaan voor een klein festival en bij voorkeur in een club. Ik zou graag ingetogen singer-songwriters zien zoals Bob Dylan, Neil Young, Van Morrison en Tom Waits, maar ook nieuwere groepen met vooral vrouwen. Big Thief is zo'n band. Nu we toch bij de vrouwen zitten: doe mij ook Rickie Lee Jones en Joni Mitchell.

Maar dan begin ik de rockbands te missen. Misschien kunnen we gaan voor een ingetogen dag en een dag voor The Who en Hüsker Dü.

Vooral oudere bands dan toch?

Ja, omdat het die bands zijn die me destijds geïnspireerd hebben. Maar recent ging ik in Boston naar een festival speciaal voor Thee Oh Sees. Een erg fascinerende band. Ik hou dus wel van festivals om muziek te ontdekken, maar het is niet mijn favoriete locatie om echt naar muziek te luisteren.

En wat zou je zelf doen?

Als ik een festival samen zou stellen zou ik niet zelf willen spelen met Buffalo Tom, maar echt rondlopen en kijken. Dat is wat ik op festivals het liefst doe.

En niet die vervelende interviews…

(lacht) Ik ben al blij dat iemand met ons wil praten.

Het genoegen is geheel aan ons. Bedankt!

18 augustus 2018
Patrick Blomme