Black Box Revelation - Dat nummer, dat op iets van Simple Minds leek, hebben we weggegooid

Tien jaar hebben de twee heren van Black Box Revelation nu al hun lot aan elkaar verbonden. Na een jarenlange tournee in Amerika en een korte pauze is er nu, vier jaar na ‘My Perception’ de nieuwe plaat ‘Highway Cruiser’. En die klinkt even fris als de titel. Maar eerst: de tournee van Seasick Steve die net achter de rug is. Hoe was die?





Dries Van Dijck: Echt tof! We hebben een handvol shows gespeeld in Nederland en drie in Denemarken en het was echt de max. De eerste show kwamen we aan en de crew had alle materiaal opgesteld. Wij hebben exact dezelfde podiumopstelling. Dus voor ons leek het alsof alles klaar stond voor ons. Vijftig jaar in de toekomst. (lacht)

De legende wil dat hij jullie heeft zien spelen op Pukkelpop en daarna gewoon op jullie is toegestapt om te vragen of jullie zijn voorprogramma niet wilden doen. Het lijkt idyllisch in deze tijden van managers en platenfirma’s die alles controleren.

Van Dijck:
En toch is het echt zo gegaan. We zagen hem staan voor het podium terwijl we aan het spelen waren - goed aan het meegeven - en toen we het podium af kwamen, zei hij dat hij het super vond. En in de backstage, na wat pinten, heeft hij ons mee op tournee gevraagd. We hadden ooit al in de AB zijn voorprogramma gedaan. Hij kende de naam van ergens, maar wist niet meer van waar.

Jan Paternoster: En op Humo’s Pop Poll 2009 waren we ook net als hij. Het toffe hier was dat er echt een klik was tussen ons. We hebben al veel voorprogramma’s gedaan – Jane’s Addiction, Beady Eye, Eagles Of Death Metal – maar bij hem was dat het meest organische. Elke show speelde hij ook de bisnummers in een T-shirt van Black Box Revelation.

Tussen het jarenlange toeren in Amerika en deze plaat zat een bewuste pauze. Dries, jij hebt drumlessen gegeven. Maar waar heb jij je mee bezig gehouden, Jan?

Paternoster: Zonder zwanzen: ik heb olijfolie gemaakt. Ik heb autostop gedaan naar Italië om daar olijfolie te maken. Ik had het echt even nodig om terug te aarden. Letterlijk: met mijn handen aan de grond. En daarna met vrienden rondgehangen, wat fietsen gerepareerd. En dan geleidelijk aan na een maand of vijf begon het wel te kriebelen om terug muziek te maken. Maar zonder een deadline; gewoon wat jammen.

Was het dan ook de bedoeling van de pauze om over de muzikale toekomst na te denken? Even denken over wat jullie eigenlijk wilden doen voor die nieuwe plaat?

Van Dijck: Niet zo bewust als jij het verwoordt, maar in die periode hebben we wel andere invloeden opgedaan. We hebben veel naar soul en funk geluisterd, dingen ontdekt. En daarmee hebben we ons eigen ding gedaan.

Paternoster: Vandaar dan ook de keuze voor Thomas Brenneck als producer.

Die Brenneck is inderdaad wel stevig geworteld in de soul. Hij zit zelf bij de Dap-Kings en werkte met Charles Bradley, D’Angelo en Alabama Shakes. Was het idee om samen te werken met The Gospel Queens, een koor, van hem?

Paternoster: Het idee van het koor was er al voor hij werd ingeschakeld. We wilden dat op enkele nummers uitproberen en daardoor zijn we bij Thomas Brenneck uitgekomen. Die heeft ervaring met dat soort muziek. Bij ons bleef het dan wel geworteld in de rock-‘n-roll, maar hij was wel meteen enthousiast om met ons die plaat te maken. En we wilden alles ook zo eerlijk mogelijk houden. De vorige plaat stond vol ingewikkelde psychedelica, maar hier hoor je allemaal eerste of tweede takes. We zijn pas beginnen opnemen vanaf het moment dat we voelden dat het goed zat. En nadien hebben we niks verknipt en bijna geen effecten gebruikt. Zet de plaat luid genoeg op en je hebt echt het gevoel dat je bij ons in de studio zit.

Hoe zit het intussen in Amerika. Kent men jullie daar echt?

Paternoster: Voortdurend handtekeningen uitdelen op straat, op elke hoek roept wel iemand onze naam. (lacht). Nee, maar we hebben daar meer dan tweehonderd optredens gespeeld en je voelt nu wel - zeker op de sociale media - dat daar nu redelijk wat fans zitten, die ons blijven volgen. Die zijn een band met ons aangegaan en die worden ook wel nieuwsgierig naar iets nieuws, nu.

Van Dijck: En we gaan ook zeker terug, maar dan gaan we misschien net iets minder intens spelen en iets gerichter kiezen waar we willen spelen.

We zijn 2015. Dat betekent dat jullie al tien jaar door het leven gaan als Black Box Revelation.

Van Dijck: Eigenlijk wel. Niet dat we daar bewust over nadenken, maar het was ons wel eens te binnen geschoten.

Paternoster: En er komt een feest, maar dat zal iets voor binnen een jaar of twee zijn, want uiteindelijk bestaan we voor het grootste gedeelte van ons publiek toch pas sinds 2007 toen we ‘Set Your Head On Fire’ uitbrachten. We bestaan al tien jaar, maar uiteindelijk waren we voor Black Box Revelation ook al samen aan het spelen. Van toen we dertien en elf jaar oud zijn al.

Op 19 maart speelden jullie in Jeugdhuis Togenblik in Beveren waar voor het eerst enkele nieuwe nummers werden gespeeld. Dat heette een try-out. Maar toen werd het wel weer stil.

Van Dijck: Eigenlijk was het toen de bedoeling om gewoon nog eens "voor echt" te spelen.

Paternoster: We waren nog niet echt op tournee, maar we hadden rond die periode wel een aantal concerten in Zwitserland gepland staan. En een generale repetitie was wel eens nodig.

In een oud interview met jullie uit 2008 zei jij, Jan: “Hoe meer je speelt, hoe meer je beseft hoe je een set in elkaar moet steken en hoe minder zenuwen je hebt.” Als je nieuwe nummers voor de eerste keer speelt, dan heb je toch zenuwen?

Paternoster: Gelukkig wel. Als we voor zo'n speciaal optreden niet meer zenuwachtig zijn, dan gaan we best gewoon iets anders doen. Er moet toch altijd wat positieve adrenaline door je lijf stromen. Alsof je net bent gaan bungeejumpen.

Er is na zestig jaar rock-'n-rol steeds gemakkelijker om op iets te lijken dat eigenlijk al bestaat. Iets weggegooid in de studio omdat het eigenlijk iets anders was?

Paternoster: (lacht) Grappig dat je dat vraagt, want in de zoektocht waar je als band voor staat, zijn er veel nummers die komen en veel nummers die ook weer gaan. En op een bepaald moment hadden we een instrumentaal nummer en zowel mijn moeder als zijn vader dachten allebei – onafhankelijk van elkaar – aan een nummer van Simple Minds. En toen dachten we: “Dit moeten we weggooien.”

Van Dijck: En ze hadden gelijk: het was exact hetzelfde. Het was een fantastisch nummer. Maar het bestond al.

Jullie laten je nummers horen aan jullie ouders!

Van Dijck: Jazeker. Als je iets nieuws hebt gemaakt waar je trots op bent, dan wil je dat mensen dat horen. En wij laten onze nummers horen aan onze ouders, vrienden, familie. En dan hopen we ook echt wel dat ze het goed vinden, wat we gedaan hebben.

Paternoster: Een groot deel van de charme zit hem toch in het samen luisteren. Er zijn weinig dingen leuker dan een avond naar "ne maat" gaan waarvan je weet dat die alleen maar goede platen heeft staan. Spotify heeft dan wel veel meer muziek in huis dan die maat ooit kan hebben, maar die functie kan Spotify toch nooit vervangen. Als ik naar een doe-het-zelf-winkel ga om een boormachine te kopen, ga ik ook weer naar huis omdat ik niet kan kiezen tussen de tweehonderd boormachines die ze in stock hebben en de driehonderd anderen die ze dan ook nog eens kunnen bestellen.

Tot slot: een plaat maken, wat is dat voor jullie?

Paternoster:Het is iets heel persoonlijks. Ze vergelijken het altijd met een baby maken. Maar wij hebben nog nooit een baby gemaakt dus wij weten niet hoe dat voelt. Wij maken platen en hopen dat veel mensen die goed vinden. Baby’s worden niet gequoteerd met sterren in een magazine.

Van Dijck: Als je je kind laat zien, dan wil je dat iedereen zegt hoe schoon die wel is. Ook al ligt daar een trol. (lacht)

Paternoster: Wij hebben het geluk dat we met onze passie mogen bezig zijn en dat er toevallig ook nog wat mensen zijn die daarnaar willen luisteren. Wij mogen onze pollekes kussen van geluk.

14 oktober 2015
Geert Verheyen