The Whereabouts of J. Albert

The Whereabouts of J. Albert

J. Albert zat de laatste jaren zowat overal: bij Monster Youth, bij Comrad Conrad, The Obscure en Yamantau, maar vooral toch bij Suburb Songs. The Whereabouts of J. Albert maakt met deze plaat immers wel zijn debuut, maar het is duidelijk dat sommige leden al heel wat kilometers op de teller hebben.

Kaarsjes op de verjaardagstaart ook trouwens. Frontman Joeri Dobbeleir bijvoorbeeld, zit op de laatste halte van tram drie en met een stem die wat weg heeft van die van Mark Lanegan en Howe Gelb zingt hij erg doorleefd, terugkijkend op de voorbije helft van zijn leven die vooral gekenmerkt werd door proberen, struikelen en nog meer proberen, zoals hij zelf zingt in Hangman’s Rope.  

Dobbeleir vindt na jaren eindelijk het genre waar zijn stem het best tot zijn recht komt. Bij Suburb Songs, een band waarvan ook al Bart De Koster (gitaar), Kristof Vansteenkiste (gitaar/ lapsteel/ zang), Klaas Borms (bas) en Nathan Wittock (drums) deel uitmaakten, maakte hij met zijn maten sfeerrijke indietronica en kwam hij ergens uit bij Sophia en Tindersticks, maar brak hij nooit echt door.

Met The Whereabouts of J. Albert, waar de ervaren Steph Van Uytvanck (toetsen, mondharmonica) de enige nieuwkomer is, schuift de sound op richting Nick Cave, Songs: Ohia, The Walkabouts en de vroege Sparklehouse. Allemaal ronkende namen, maar we durven ze laten vallen, want The Whereabouts of J. Albert hijsen zich zowaar acht songs lang op dezelfde hoogte.

Dat begint meteen bij opener Quicksand, een donkere knoert van een song waar onder de zwarte korst van alles lijkt te smeulen. Een repetitieve gitaarlijn spartelt tussen meer gruizige soortgenoten en donkere drums terwijl de grafstem van Dobbeleir de grauwe gids is die je door het moeras naar Neverland moet leiden.

Hangman’s Rope laat een meer rootsy geluid horen. Dat heeft vooral te maken met de lapsteel die hier opduikt. De combinatie met de tekst die naar hel en verdoemenis verwijst, doet ons aan 16 Horsepower denken, een sfeertje dat ook min of meer terugkomt in Keep On Falling Out waarop Vansteenkistes maatje van bij Inn, Annelore D’Hollander,  een fijne bijdrage levert op viool.  

Het meest aangrijpende nummer is To Kick The Habit waarin Dobbeleir een slow danst met een dodelijke verslaving die hij node opgeeft. De gitaarsolo in dit nummer is van een melancholische schoonheid die je zelden hoort en staat in scherp contrast met de dreigende rocker, Even Love Won’t Help The Haunted, die erop volgt en waarin de band gedurende tweeënhalve minuut alle remmen los laat.

Elders bewaart de band constant ruimte voor stiltes in de sound ondanks drie gitaristen en een bezetting van zes man. Dat is knap en slim, want hierdoor blijft de plaat gedurende de hele speelduur onder hoogspanning. Daartoe dragen trouwens ook de puntgave productie en het prachtige artwork (van bassist Borms) bij.

Vroeger had je een programma op Studio Brussel van ene Ayco Duyster en Eppo Jannsen waar je dit soort muziek kon ontdekken. Alleen al omwille van deze plaat zouden ze het terug moeten opstarten.


7 april 2017
Marc Alenus