Matt Bioul

AKA Music
Matt Bioul

Iedereen lijkt dezer dagen naar "vintage" dingen terug te grijpen. Oude crepe de Chine-blouses en cowboy boots bijvoorbeeld, om er maar twee te noemen. En ook in de muziekwereld is die beweging al enkele jaren bezig. Een goede zaak, want als oude instrumenten al niet beter klinken, dan stralen ze toch minstens een toffer sfeertje. Dát moet ook de Brusselse Matt Bioul gedacht hebben toen hij besloot zijn nieuwe plaat 'Daystripper' volledig analoog op te nemen.



Of het door de tapes komt, weten we niet, maar het eerste nummer Mister klinkt alvast warm. Een fijn akoestisch gitaartje begeleidt de opvallend warme stem in dit nummer, dat heel duidelijk over de communautaire strubbelingen in ons land gaat. Niet bijster origineel, zou je denken, maar het moet niet altijd de oorlog in Irak zijn.

Bovendien laat de plaat vanaf Back To 5 zijn ware gezicht zien. Blije deuntjes, doorspekt met sixties koortjes en orgels, zijn hier duidelijk aan de orde. En ook in het titelnummer horen we diezelfde vintage feelgood sound. Het nummer trapt af met een lekker groovende elektrische piano, op de voet gevolgd door een zenuwachtige leadgitaar en kitscherige "ooh-ooh"-backings.

We moeten echter toegeven dat we niet altijd even wild zijn van dit soort muziek. Die koortjes zijn wel grappig en getuigen van een harmonisch inzicht, maar als het te veel wordt, haken wij meestal af. Daarom zijn we ook blij wanneer Lucy Brown voorbij komt. Niet dat dit nummer een ware stijlbreuk met zich meebrengt, maar het is alleszins niet zo cheesy als zijn voorgangers. Het doet ons bij wijlen zelfs wat aan Absynthe Minded denken.

Catch A Star begint eveneens veelbelovend: een fijn staaltje Beatlesque melodieuze pop op piano. Maar ergens halverwege lijkt het alsof Voice Male is binnengevallen, al kunnen we er in dit nummer wel mee leven. We worden er zelfs wat vrolijk van. Ook Waiting For The Sun heeft trouwens wat van de Fab Four (die Strawberry Fields mellotron!). Het aanstekelijke refreintje blijft zelfs nog uren in ons hoofd rondhangen.

Maar vanaf On My Own worden we het poppy gedoe wel wat moe. Number One, met een vette knipoog naar Eleanor Rigby (in het tekstboekje spreekt Bioul zelfs van "a tribute to Eleanor Rigby"), is nog wel een fijn liedje, maar de rest van de plaat vinden wij een beetje te veel van het goede. Door de productie zijn de (dikwijls knappe) nummers uitgegroeid tot een cheesy gimmick.

We geven het toe: toen we nog op de muziekschool zaten, hebben wij ook onze popperiode gehad. En we zijn uiteraard nog even gek op Sgt. Peppers als toen. Maar dat betekent ook dat we gewoon The Beatles in onze cd-speler schuiven wanneer we tussen al die folkuitspattingen nog eens zin hebben in een streepje onvervalste pop. En dat dit intussen voor beginnende muziekliefhebbers de deur naar de sixtiesgoden kan openen, dat is - net als vintagespullen - een goede zaak.


19 november 2009
Dimitri Muylaert