Vijftig jaar Jean-Michel Jarre

Column

Karel Uyttendaele — 24 oktober 2026

2026 … vijftig jaar na 1976, een jaar dat later een ongewoon muzikaal jaar zou blijken omdat nogal wat bands en genres het levenslicht zagen. In een nostalgische bui keerde (ku) terug naar één van zijn jeugdhelden uit de vorige eeuw.

Vijftig jaar Jean-Michel Jarre

Vijftig jaar geleden verscheen een plaat die mijn jonge muzikale leven pas tien jaar later behoorlijk overhoop zou halen. Sommige dingen vragen tijd.

1976. Disco heerste. ABBA danste erop los met Dancing Queen, Elton John en Kiki Dee wilden met Don't Go Breaking My Heart vooral duidelijk maken dat liefdesverdriet helemaal niet slecht was voor de platenverkoop. Donna Summer had de dansvloer al stevig in het vizier. Queen was nog altijd op zoek naar Somebody To Love en Marva bezong Rode Rozen In De Sneeuw. En ergens in Parijs zat Jean-Michel Jarre al een tijdje te prutsen met synthesizers en tape.

Ik denk dat velen Jarre toen moeten bekeken hebben als een alien die uit een UFO gestapt was. Hij had al ervaring opgedaan bij Pierre Schaeffer en de Groupe De Recherches Musicales in Parijs, waar elektronische klanken en "musique concrète" tot de arty-farty dagelijkse kost behoorden. Alleen wilde "alien" Jarre met die experimenten duidelijk een andere richting uit. Hij wilde muziek maken die niet enkel interessant was voor mensen met een diploma filosofie-elektronica en die steevast een bijzonder lange uitleg gaven bij de platencollectie.

Daarom bouwde hij in de keuken van zijn Parijse appartement een kleine studio vol elektronische instrumenten, kabels en mogelijkheden om dingen compleet verkeerd aan te sluiten. Met onder meer een EMS VCS3, een ARP 2600, een Eminent-orgel, een Korg Mini-Pops, een taperecorder en behoorlijk wat inventiviteit begon hij aan een project dat uiteindelijk zes delen zou tellen.

De titel: 'Oxygène'.

Zuurstof. Een basisbehoefte voor alles wat leeft. Niet direct het soort titel waarvan je platenboer het warm krijgt. Geen seks, drugs of rock-'n-roll, gewoon een gas dat we gratis inademen en pas missen als het te laat is.

Traditionele popsongs waren het allerminst. Geen couplet, refrein, bruggetje en dan nog eens hetzelfde refrein tot iedereen het kon meezingen. De zes delen lopen in elkaar over. Je hoort de sequencers voortdurend doorgaan, terwijl de klanken veranderen en laag per laag melodieën langzaam boven komen drijven. Jarre liet die muziek ademen. Kraftwerk, Tangerine Dream en Klaus Schulze waren al volop met elektronica bezig. Jarre slaagde er mee in om dat geluid bij een veel groter publiek binnen te krijgen.

'Oxygène' verscheen in december 1976 in Frankrijk en groeide uit tot een internationaal succes. Vooral Oxygène Part IV werd een hit. Plots bleek dat een synthesizer niet noodzakelijk achtergrondmuziek voor een wetenschappelijk experiment hoefde te produceren. Je kon er ook een melodie mee maken die dagenlang in je hoofd bleef hangen. Zonder dat je daarvoor een zanger nodig had die wereldse problemen op drie akkoorden kwam uitleggen (I'm looking at you, Bono!) De toekomst klonk elektronisch. En ze kwam uit Frankrijk.

Fast-forward naar 1986. Ik was veertien en ergens in het weekblad Joepie stond een dubbele pagina over Jean-Michel Jarre en zijn concert in Houston. De stad vierde haar honderdvijftigste verjaardag en NASA's Johnson Space Center bestond vijfentwintig jaar. Op uitnodiging van de stad Houston had Jarre er een gigantisch openluchtspektakel neergezet met muziek, lasers en projecties op wolkenkrabbers die een deel van zijn podium vormden. En veel volk. Een massa volk. Anderhalf miljoen toeschouwers volgens het Guinness Book Of Records.

Niet dat ik toen al een uitgebreide kennis van elektronische muziek had. Mijn muzikale vorming had toen juist de periode Michael Jackson doorlopen en mijn zus dramde er nog een portie Wham! bovenop. Maar die foto's maakten indruk. Dat concert zag eruit als iets dat zich op een andere planeet afspeelde met een Fransman achter een stapel synthesizers als plaatselijke luchtverkeersleider. En misschien waren die foto's onbewust ook de aanleiding tot mijn fascinatie voor concertfotografie. Ik herinner me zeer goed dat ik toen dacht: "Ga ik dit ooit zelf kunnen zien?"

Na behoorlijk wat gezaag bij La Mama mocht de live cd 'En Concert: Houston/Lyon' er uiteindelijk komen. En toen begon het pas echt.

Het openingsnummer was een deel van Oxygène Part V. Geen vrolijk deuntje dat meteen met de deur in huis valt. Donkere, pulserende klanken trekken je een twilightzone binnen, terwijl een onverbiddelijke sequencerpuls de spanning opbouwt. Hypnotiserend. Voor een veertienjarige was dat behoorlijk straf. Ik wist niet welke synthesizers Jarre gebruikte. Ik kende het verschil niet tussen een oscillator, een filter en een apparaat dat er vooral indrukwekkend uitzag in een donkere studio. Ik wist alleen dat ik dit geluid opnieuw wilde horen. En vooral: waar kwam die muziek vandaan? Het antwoord bleek een album uit 1976 te zijn. 'Oxygène' werd mijn tweede Jarre-aankoop, na 'En Concert: Houston/Lyon'.

Misschien is dat nog het strafste aan 'Oxygène'. Achter die muziek zat een wirwar van knoppen, kabels en elektronische apparatuur. Alles zit op zijn plaats, zonder dat Jarre daar ooit mee te koop loopt. Die apparatuur mag dan intussen compleet vintage zijn, de muziek heeft het bestaansrecht niet bij een Tandy elektronicawinkel achtergelaten. Zelfs Regi en Armin van Buuren zijn schatplichtig aan wat Jarre in 1976 startte.

En dan is er nog de hoes van Michel Granger: een gebarsten aardbol waaruit een menselijke schedel puilt. Achteraf gezien misschien een beetje een luguber ontwerp voor een album dat 'Oxygène' heet. Wie hoopte op een idyllisch landschap met een paar bloemetjes, vlinders en een stralend zonnetje, was duidelijk bij de verkeerde plaat beland. Het beeld past perfect bij de muziek. Er zit zelfs een dubbele bodem in de titel: zuurstof is noodzakelijk om te leven, maar de mens gaat lang niet altijd even verstandig om met de planeet waarop hij dat leven mag leiden. Michel Granger zou nadien nog enkele albumhoezen ontwerpen voor Jarre.

54628623026_affce9a6d4_c.jpg

Jarre bouwde het muzikale universum verder uit met 'Équinoxe' in 1978 en later albums als 'Les Chants Magnétiques' en 'Rendez-Vous'. Ook de concerten groeiden uit tot grootschalige, ietwat megalomane audiovisuele producties, waarin muziek, licht, lasers en architectuur één geheel vormden. "Bescheidenheid" staat bij zijn concerten niet in zijn woordenboek. In juli 2025 mocht koning Filip nog Jarre aanschouwen, toen die concerteerde op het Paleizenplein in Brussel.

Maar voor mij begon het allemaal met die dubbele pagina in Joepie. Een dubbele pagina in Joepie, een live album, waarvoor thuis onderhandeld moest worden, en één openingsnummer: meer was er niet nodig om mij naar een plaat uit 1976 te leiden. Misschien zet ik 'Oxygène' daarom nog regelmatig op. Meestal 's avonds in de auto. En dan denk ik terug aan die dubbele pagina in Joepie, dat live album waarvoor ik thuis moest onderhandelen en die plaat die ik uiteindelijk zelf mocht ontdekken. En aan La Mama, die uiteindelijk de cd mocht betalen.

Sommige mensen hebben hun eerste kus onthouden. Ik heb Oxygène Part V. (For the record: die eerste kus herinner ik me ook nog.) En Joepie? Die krijgt voor één keer mijn eeuwige dankbaarheid. Maar laat ons daar vooral niet te sentimenteel over worden. 'Hart Tegen Hart'. Anyone?

Jarre brengt vijftig jaar na datum 'Oxygène' opnieuw uit. Limited edition gekleurde vinyls, zelfs een seven-inch-single, cd, blu-ray met een Atmos Surround-versie. En een concerttour, die hem op 11 oktober 2027 naar Vorst Nationaal brengt. Op zijn achtenzeventigste slaagt Jarre er ook nog altijd in om enkele euro's uit mijn zakken te kloppen.

← Terug naar overzicht