Tien paarden die de haver niet kregen die ze verdienden

Achtergrond

Bij Lucy In The Sky waren ze met zeven, maar wij vonden nog tien paarden die niet de haver kregen die ze volgens ons verdienden. Platen die ons omver bliezen, maar geen recensie kregen (We bespraken dit jaar nochtans een record aantal albums en ep's, zo'n 540) op onze anders mooie website. Waarom we ze dan negeerden? Geen idee: geen promo gekregen, geen tijd, geen smaak? Hoe dan ook, we zetten het recht. Bij deze.





Jim O’ Rourke – ‘Simple Songs’

Geen eenvoudige jongen, die Jim O’ Rourke - een bij uitstek veelzijdige muzikant/producer : van pop, indie- en postrock, elektronica tot meer avant-gardistische en meer experimentele exploten, hij weet er allemaal weg mee. Het namenlijstje van artiesten waar hij al mee samenwerkte oogt bijzonder fraai: Stereolab, John Fahey, Smog, Beth Orton om er maar enkele op te sommen. Hij leverde al aanzienlijke bijdragen bij Sonic Youth, Loose Fur en Wilco, maar ook solo laat hij zeer aardige dingen horen. Zijn album ‘Simple Songs’ mocht ten onrechte op bijzonder weinig aandacht rekenen. Aan de kwaliteit van het album zal het nochtans niet liggen. De focus van het album ligt op loepzuivere poprock, met goed in het oor liggende melodieën. De musician’s musician levert een album af dat uitmunt in degelijkheid. Clevere, zelfs briljante pop. Vaag duiken echo’s op van meesterlijke arrangeurs als Van Dyke Parks, maar evenzeer horen we duidelijke invloeden van The Beatles, Big Star en pakweg Elliot Smith.

Leg uw oor eens te luister bij : Hotel Blue, Friends With Benefits, Last Year,..

Sun Kil Moon – ‘Universal Themes’

Een van onze favoriete treurwilgen, Mark Kozelek - man met gitaar en onvaste, licht zeurderige stem - maakte dit jaar 'Universal Themes' en ook dat album viel wat ongelukkig tussen de mazen van het net. Op het album treffen we maar acht, lang uitgesponnen tracks aan. Dat kan niet verhinderen dat de meest recente Sun Kil Moon met bijdragen van Sonic Youth drummer Steve Shelley eigenlijk wel weer iets nieuw laat horen, ook na een instantklassieker als 'Benji'. Alleen al voor de erg bijzondere songtitels is het album de moeite, zoals blijkt uit - hou u vast - With a Sort of Grace I Walked to the Bathroom and Cried of This Is My First Day And I'm An Indian And I Work At The Gas Station. Kozelek tapt losjesweg uit zijn dagelijkse ervaringen om er enkele universele thema's aan te ontlokken, zoals blijkt uit Possum. Kleine tot grotere verhalen vertolkt door een uitstekende verhalenverteller. Ook lyrisch gezien wordt onze vriend Kozelek erg onderschat (ter illustratie: "I’ll write songs in my car until the day I die/ Gonna write songs that make people laugh, cry, happy, angry/ Songs that make grown men shit their pants like little fucking babies”). Al dient ook gezegd dat hij het af niet kan laten om eens wat aan oorlogje stook te doen (niet in het minst met die van The War On Drugs bijvoorbeeld).

Enablers – ‘The Rightful Pivot’

Ook helaas wat ondergewaardeerd, deze Enablers. In 2015 bracht de Amerikaanse band 'The Rightful Pivot' uit, een album waarop post-rock en meer experimentele gitaarrock een intens passioneel huwelijk aangaan met spoken word lyriek. De band blijft ver weg van de mainstream of enige voorspelbaarheid, maar eigenlijk zou dit album op termijn weleens hun grote doorbraak kunnen betekenen. Bovendien voelen we aan dat de band een feel heeft voor grootse epische momenten. Overigens: wie opwindende songs schrijft als She Calls After You, Enopolis of The Percentages zou door muziekfans op handen gedragen moeten worden. Een fan op hun bandcamp beschrijft het album als: "een wild nachtje uit zonder je huis te hoeven verlaten". Helaas hebben we ten node verstek moeten geven voor hun recente doortocht in België, maar we hebben wel erg enthousiaste reacties gehoord. 2015 stond muzikaal gezien vooral voor hoogtepunten in de hiphop en jazz,  maar Enablers liet zich in positieve zin opmerken als een van de beter bewaarde rockgeheimen.

Steve Gunn & The Twig Pickers – ‘Seasonal Hire’

En ook in de folk werden er wat albums over het hoofd gezien, zoals ‘Seasonal Hire’, het album waarop The Twig Pickers samenwerken met Steve Gunn, die niets liever doet dan innovatieve fingerpickings en gitaarlickjes bedenken. Op het erg korte album (slechts vijf tracks) horen we een band die een folky geluid nastreeft: we horen banjo's, fiddles en fijnzinnig gitaarsnarendrijverij waar al eens een streepje mondharmonica aan wordt toegevoegd. Een klein, maar bijzonder fijn kleinood dus dat oude tradities documenteert. Steve Gunn werkte al een eigenzinnig parcours af (check onder meer ‘Natch 1’, zijn exotischere herinterpretaties van Appalachian music of ‘Cantos De Lisboa’, zijn erg gewaardeerde samenwerking met Mike Cooper - die nu we toch bezig zijn ook toe is aan een grootschalige herwaardering. ‘Seasonal  Hire’ blijkt een album te zijn dat zijn geheimen maar erg langzaamaan blootgeeft en waar we maar al te graag naar teruggrijpen. Hoogtepunt is echter de dik kwartier durende titeltrack waar het samenwerkingsverband behoorlijk trots op mag zijn.

Julien Baker - 'Sprained Ankle'

In 2015 vielen we voor het debuut van Soak, maar ‘Sprained Ankle’ van Julien Baker, een twintigjarige  uit Memphis is in diezelfde categorie (Meisje-met-gitaar- en-occasioneel-een-piano) nog straffer. Net zoals haar Britse zielsverwant lijkt Baker een oude ziel te hebben en een leven van minstens drie keer haar werkelijke leeftijd, zo diep klinken haar muzikale portretten die ze maakt. Haar plaat klinkt ongelooflijk droevig, maar gelukkig voor haar is haar geloof sterk genoeg om haar gebroken hart te compenseren. De negen songs op het album bieden dan ook troost voor al wie dezelfde shit heeft gezeten en hebben we allemaal als eens geen verzwikte enkel gehad?

City Calm Down - 'In A Restless House'

Dit jaar ontsnapte Matt Berninger uit de omknelling van The National om een vrolijke versie van die band te vormen samen met Brent Knof, maar eigenlijk bestond er al een The National light versie in het verre Australië sinds 2008. Alleen bracht City Calm Down pas dit jaar een debuutalbum uit en die werd bijna nergens opgepikt ondanks fantastische singles als Rabbit Run, Son en Wandering waarop de band de warme sounds van Future Islands koppelt aan het donkere sérieux van The National en tegelijk de sfeer oproept van een lange autorit doorheen de bush. Een plaat die smaakt als een goede fles wijn die tijd kreeg om te rijpen.

The Slow Show - 'White Water'

Er was nog een band die een (nog een duidelijkere) link heeft met The National. In maart bracht The Slow Show (genoemd naar een song van Berninger en Co.) een eerste plaat uit die vol staat met langzaam openbloeiende, donkere, poëtische songs. De bariton van zanger Robert Goodwin bezweert de luisteraar terwijl blazers en strijkers een gevoel van weidsheid en melancholie opwekken. Ook deze Mancunians namen de tijd al waren ze er toch sneller bij dan eerder genoemde Aussies. Aan deze plaat gingen twee ep’s vooraf sinds het ontstaan van de band in 2011. Singles werden er amper getrokken uit deze prachtplaat (enkel Dresden  en Bloodline) waardoor de aandacht ervoor minimaal was, maar zet ze een paar keer op en je bent verloren. Ondertussen is er alweer nieuw materiaal van de band en ook dit keer is het raak.  

Daniel Norgren - 'Alabursy'

De volhouder wint. Het zou ook het motto kunnen zijn van Daniel Norgren die pas met zijn onlangs uitgebrachte zesde album ‘The Green Stone’ wat ruimer bekend werd. Eerder dit jaar bracht hij ook al zijn vijfde plaat ‘Alabursy’ uit, maar die bleef steken in het stugge gras rond zijn landelijke woonplaats Borås in het westen van Zweden. Het is vooral door onophoudelijk te touren dat Norgren toch uiteindelijk de aandacht kreeg. Sinds ‘Alabursy’ zei hij de blues grotendeels vaarwel en vond hij ook zijn eigen sound. Die is minimalistisch, intiem en kwetsbaar en toch gevarieerd door het gebruik van verschillende instrumenten als akoestische gitaar, orgel, accordeon en harmonica. En dan is er ook nog die afgeknepen, schrale stem die door merg en been gaat.

U.S. Girls - 'Half Free'

Met 'Half Free' maakte Meg Remy haar debuut bij 4AD. Eindelijk het jaar van de doorbraak dus? Helaas, ook anno 2015 wordt het talent van U.S. Girls enkel opgemerkt door een select publiek. Haar album 'Half Free' bestond nochtans uit heerlijke ingrediënten en klonk zowel decadent, verlaten als dansbaar. Ze verliet met deze plaat het lo-fi pad en serveerde haar publiek in de zon gebakken, krom getrokken dubtonen en aan scherven gevallen discoballenverdriet. Ze kneedde dat bijeen tot een heerlijke brok gehakt waarover ze haar donkere verhalen sprenkelde waarin ze zowel de rol van oorlogsweduwe als die van bedrogen echtgenote speelde die met een lus rond haar nek hing te bungelen aan haar stamboom. Een grimmig plaatje dus, maar wel eentje dat door de passie in haar af en toe krakende vibrato en heupwiegende, sensuele ritmes toch een aantrekkelijke, essentieel album werd.

Mbongwana Star - 'From Kinshasa'

Uit de rib van Staff Benda Bilili onstond Mbongwana Star, een zevenkoppig monster dat tussen de vuilnisbakken van de Congolese hoofdstad Kinshasa rondsnuffelt en uit afval magie creëert. Die magie is een fusie van Afrikaanse ritmes, kloppende post-punk bassen en elektronica. De plaat kwam voor in enkele van onze eindejaarslijstjes en werd door albumoftheyear.org verkozen als tweede beste album van 2015, net achter 'To Pimp A Butterfly' van Kendrick Lamar. Toch kon je bij ons geen recensie lezen over dit verrassende, verwarrende, maar verslavende debuut dat de ambitie invulde om de Afrikaanse muziek compleet op zijn kop te zetten. Van de zang in hiphopstijl en vervormde vocalen van Masobele over de punkige furie en razernij van Nganshe tot de zachte, smachtende bluegrass en soul van Coco Blues slaagt deze plaat er in om ook Westerse oren te amuseren.

Philippe De Cleen & Marc Alenus

2 januari 2016