Schemerzone #8
Schemerzone #8: een blik op eigenzinnige geluiden van januari.
David Moore, ook actief bij speed/stompfolkproject The Piledrivers, ambient country band Cowboy Sadness en psychedelic country act Pepper Johnson, en af en toe live spelend met Steve Gunn, is wel het meest bekend als frontman van groepsproject Bing & Ruth. Met zeer geslaagde platen als ‘No Home Of The Mind’ en het zeer stemmige ‘Species’ (met een prominente Farfisa) bouwde de band een referentie op in impressionistische multi-instrumentale ambient. Intussen klaar om solo in de spotlights te treden, schoof hij voor ‘Graze The Bell’ aan bij een Steinway Model D-vleugel, volgens kenners één van de meest expressieve grand piano’s wereldwijd. Nu had Moore geen gebrek aan talent op dat vlak: ‘No Home Of The Mind’ excelleerde aan ingehouden emotie, die qua kracht vooral binnenkomt als je je even wat wankel voelt. ‘Zachtaardige onverbiddelijkheid’ noemt hij die invulling zelf. Zijn nieuwste kent relatief meer dynamiek dan de jongste Bing & Ruth-platen, wisselend tussen kalmer spel met understated emotionaliteit en wat drukkere, verhalende toetsen in. De Steinway D -getypeerd door bijvoorbeeld een zeventien lagen esdoornhout tellende buitenrand, waarin een maximale resonantie wordt gevat van bovendien zeer gevoelige toetsen, zonder vervorming bij zachte of harde aanslag- wordt ook geroemd om z’n dynamiek: geen toevallige match dus voor deze plaat, net zo min als ’s mans liefde voor Debussy toeval is. ‘Graze The Bell’ is de ambient voorbij, en in zijn rijke dynamiek tussen kalm en druk, tussen narratief en onderhuids -maar trefzeker- emotioneel een werkstuk voor de geëngageerde pianoliefhebber.
De Britse componiste Laura Cannell richt zich sinds 2014 op experimenten met oude en middeleeuwse muziek en modernere folk. Op de eerste release voor haar nieuwe project, The Mediaeval Drone Society, hanteert ze laat-dertiende eeuws Frans bronmateriaal: monofone melodieën bij zogenaamde ‘Lyric Lais’: korte liederen over geloof, liefde en ridderlijkheid. Geschreven tijdens een slapeloze periode rond de recente jaarwisseling, en ingespeeld onder de wolfsmaan (de eerste volle maan van het jaar), spreekt er niet alleen veel symboliek in die aanpak, maar ook zin voor mystiek. Niet vreemd, gezien haar eerdere bewerkingen rond muziek van Hildegard von Bingen. Puristen zullen één afwijking op de regel horen: haar gebruik van ook de cello, maar, voor wie haar daarvoor op de brandstapel wenst: ze weet zelf heel goed dat die pas in de renaissance werd ontwikkeld, voortbouwend op de basviool. De keuze maakte ze vanwege de tonale harmonie met basblokfluit en octaafviool, bespeeld met losse strijkstok (die daardoor gelijktijdig minstens vier snaren kan aanstrijken, en een drone-achtig, wat korrelig geluid mogelijk maakt). Het laat haar toe buiten de strikte lijnen van een tijdsvak te musiceren, bovendien gebruik makend van modernere studiotechnieken als layering. Waar opener Summon The Ghost Horses lagen krachtiger en zachter aangestreken cello over elkaar weeft tot een dromerig, harmonisch dronespel, schuiven zo wolken van zacht galmende basblokfluit over elkaar in Memories Are Waking. Een meer wendbare cello overheerst in The Toil Of Day Is Ebbing, in oorsprong muziek bij een oud lied over de overgang van actieve dag naar slaap, en The Broken Forest, waarbij een luchtig bespeelde basblokfluit de overtonen aanvult. We Shall Find Our Hidden Hours bespeelt de octaafviool met losse strijkstok als een bijna polyfoon instrument – een referentie aan de Ars Nova-periode, toen de brug werd geslagen tussen late mono- en vroege polyfonie. Ook verder koppelt Cannell zin voor oorspronkelijkheid en verniewing in haar neo mediaeval drone ambience.
Eigenlijk is het niet belangrijk, maar queer Yann Novak stichtte Dragon’s Eye Recordings als kanaal voor queers, non-binaire artiesten en andere minderheden in de elektronica. De Finse Miska Lamberg is er één van en zij maken hun debuut met ‘Evening, Window’. Daarin domineert orchestrale ambient weifelend tussen nordic noir en nostalgie, met veelvuldig, soms wat verhuld gebruik van eigen field recordings, verzameld doorheen de jaren en vaak gedeformeerd door fragmentatie of overlaging. Dat hoeven niet de luidste opnamen te zijn – integendeel werken ze intussen aan een verzameling registraties in heel stille omgevingen, elk met een eigen sonische identiteit.
Half-Memories Absorb Us opent met beginnend onweer, de aankondiging van een sluitende balie in de bibliotheek, en zet de kerngedachte van het in donkere ambient vaker terugkomende hauntology-begrip voorop: alsof je door een vage herinnering wordt achtervolgd. Je herinnert je niet meer de precieze chronologie, maar weet dat wat je ervoer nog een stempel op je drukt. Analoog kleuren vele grijswaarden Seeing Only Faces Turned Away, met orchestraties waarbij de cyclische opbouw af en toe vervormd wordt, alsof toen en nu in onvast verband staan. In The Strings That Hold Now To Then, Snapped lopen onbestemde ruis en inslagen door, I Remember The Day The World Lost Color vertraagt het cyclisch patroon als beladen met extra gewicht, onder het zachte roepen van onwetende kinderen. Ook de finale hanteert ambient niet als rustig ontspannen medium, maar als canvas voor een Fins winterlandschap, decor voor een gemoed gevangen in diepe melancholie.
Cindytalk is een postindustrial ambient act waarvan Cinder, transmuzikante, het enige vaste lid is. Zich als tiener al enigszins vervreemd van de wereld voelend, sloeg een seventies Ramonesplaat in als een bom, lonkte even later het podium bij de Edinburghse punkband The Freeze tot ’81, en volgde in ’84 een gastrol op de eerste This Mortal Coil-single en -lp (met Kangaroo). Het Gordon Sharp-pseudoniem loslatend na een eendagsproject met Robin Guthrie als Macbeth, en eerder bezongen door Cocteau Twins met Pandora (for Cindy), was ze met Cindytalk een nieuw project begonnen. Aanvankelijk bracht ze daar theatrale zang, ingebed in industrial met rauwe postpunkgitaren en occasionele "isolationism" synths, maar gaandeweg werden stem en gitaar minder belangrijk, en soundscaping prominenter. Het zeven tracks tellende ‘Sunset And Forever’ pakt knap uit met doomy sfeerscheppingen, waarbij granulaire synthese en "panning" meermaals het beeld oproepen van opnamen in een studio waar een onverbiddelijke storm doorheen raast. Allerlei postindustriële debris valt in een galmende diepte met Embers Of Last Leaves, terwijl dreigende synths het wolkendek sluiten en stoom occasioneel over ijzige rotsen glijdt, voordat abrasieve beats en musique concrète een rauwe stempel drukken, onder galmende gothic zang. Het genre bestond nog niet, maar bij deze, met al dat kletterend materiaal: geslaagde BDSM’bient. Eien Yo Yūyake (‘eeuwige zonsondergang’) boort, breekt en maalt rotsfragmenten onder een zwarte zon, met zachtere strijkers in de finale, waarna Tommi Tokyo - tekenend voor één van de donkerste Boiler Room-sets tot dusver - de stem leent aan het hermetische Tower Of The Sun, waarin een stellingenbouwer apocalyptische momenten beleeft. For Those Eyes, Shadows Of Flowers (edit) selecteert en kookt wat planten uit de nachtschadefamilie, onderwijl akelige non-descripte nachtwezens verstorend, My Sister The Wind blaast een beetje warm maar vooral koud door een verlaten staalfabriek, en Invisible Adventure veegt de vloer vrij van stof, elektronische circuits ritmisch aantikkend. Vol mystieke chords sluit I See Her In Everything een zeer geslaagde experimentele dark ambient-plaat af.
Liever dan in vaste patronen denkt het Italiaanse duo Phoanøgramma in vloeibare vormen, afgaand op hun 'Dream Flow', uitgebracht op het in Sardinië gevestigde Lontano Series. De plaat klinkt alsof vloeistoffen van verschillende samenstelling over en door elkaar heen vloeien in een boeiend continuüm, met allerlei faseovergangen onderweg. Aanvankelijk nog gevoed door sterke neerslag met Raindrops (prelude), ietwat storend wegtikkend in een kapotte afvoerbuis, vormt zich in de elektro-ambient van Arise In Sinking Feelings rijm en ijs onder atmosferische leads. Met Fractures smelt die massa weer, doorvloeiend richting een cirkelende kolk, voordat zich sonisch aerosol vormt in de volgende ruimte. In Where Things Are Hollow lijkt condens van het koele oppervlak te lopen, onder een traag schuivend mistgordijn, dat in The Vanishing geleidelijk optrekt, onder wisselende luchtdruk en een schijnbare vortex. Zeer geschikt voor zowel studenten fysica en hydrologie als, geloof ik, de volgende generatie weermannen, deze hybride ambientplaat.
Zij die stellen dat techno geen vernieuwing meer zou brengen praten poep, en/of kijken teveel reels met populaire dj’s. Het helpt natuurlijk als je Duitser bent en een hip label vindt voor je materiaal. Enter Dennis Strobel als Peryl met ‘Phase Alternations’ als debuut-lp, op Augmented Research uit Karlsruhe. Ironisch genoeg -en voorbode voor de toekomst- is dat hij niet alleen ruimte nam voor eigen experimenten met analoge synthese, maar ook een deel controle overliet aan zijn tools. Typerend daarbij is bijvoorbeeld het gebruik van faseverschuivingen, waarbij overlappende geluidsgolven net uit fase worden gebracht, naar zijn zeggen daarmee de verborgen geometrie van geluid blootleggend. Van minimal elektronica, meer concreet. Zo had het inventief borrelende, brommende Wave Field ook uit de Raster-studio kunnen komen – àls men die tenminste één dag niét zou steriliseren en vacuüm zuigen. Een flukse metronoom slaat de maat in het futuristisch elektroïde Synthetic Dawn, en ook Stretch Pulse klinkt als een studie van digitale ritmiek tot op pixelniveau, gelukkig aangevuld met ruimtelijke chords en driedimensioneel aanvoelende ruimere percussie. De sc-fi ambience in Midnight Motion lijkt een trip door een ietwat donker gestemd onderbewustzijn, terwijl de ritmiek ook net iéts uit de maat schuift – een slim spel met je eigen onderbewuste zoektocht naar een ritmisch houvast. Ook verderop prikkelt Peryl met phasing, flanger en ruimer uitdagend sound design vol detail, niet zelden met een hang naar koele elektro en abstracte EBM. Met iéts meer zin voor funk en warmte op de volgende plaat wordt deze Peryl nog een hele grote in de scene.
Expansieve dub techno kleurt Claudio PRC’s ‘Submerged’, een zowel digitale als in april op 7” geplande tweetracksrelease die invloeden van Lee Scratch Perry en King Tubby in hypnotisch vertraagd ritme linkt aan echo's van Chain Reaction en Basic Channel. De version-versie brengt een al even loom wiegende, maar meer technoïde invulling.
Het Estse Neuronphase, bij de start in 1993 nog een kwartet dj’s waarvan Anti Aaver nu solo overblijft, is een project met ambitie in house. ‘My Dear’ is zijn derde langspeler, en pakt uit met invloeden van Britse breakbeat, moody Detroit house en de betere balearic. World Go By laat de buitenwereld los, en nipt van een scheut feestelijke filtered French house met hoge strijkers, een heel verre echo van Pépé Bradock, en percussie met losse pols. Cucumber snijdt een schijf Jimpster aan met live sax, maar is in de finale iéts te fier op zijn rhythm track, de fluiten in Dub It Over doen éven denken aan een magistrale Planet Funk-remix van de jonge Alex Neri, Harlem River zoekt NYC roots in house op en is erg gediend met smooth soulful vocals halfweg. Het elektroish Red Orange bezoekt even een grotere zaal, en dan volgt een korte, warme roes: Moodymann is een dure referentie in house, maar Go slaagt er wel degelijk in zijn spirit te vatten in een - helaas - véél te korte deep house trip vol warme toetsen. De sferische acid in Rain Again schept, met mondharmonica, even een luchtje in een koude buitenwereld, Time laaft zich intiemer aan een zuchtje Naked Music NYC. Forever klinkt anoniemer, maar sluit toch een waardige Baltische blik op authentieke deep house af.
