Pawlowski, Trouve & Ward - Volume 2

RE:introducing
Pawlowski, Trouve & Ward - Volume 2

Mauro Pawlowski, Rudy Trouvé en Craig Ward zijn drie gezworen vrienden die wederom een samenwerkingsverband aangaan. Al is ‘Pawlowski, Trouvé & Ward 2’ eerst en vooral muzikale collage.

Het is nu eenmaal hun natuur. Allen hebben ze eenzelfde voorliefde voor improvisatie, chaos en wat we zullen benoemen als ‘schone accidentjes’. Gemeenschappelijk hebben ze ook een rol bij dEUS, de Antwerpse rockgroep die ooit op hoogst eigenzinnige wijze de schotten tussen avant-garde en rock slechtte, maar tegenwoordig vooral rechttoe rechtaan nummertjes op de wereld los laat. Elk van hen heeft ook een parcours van samenwerkingen en van een respectievelijke solocarrière.

Het zijn bovendien ook veelschrijvers die met de weelderige, creatieve driften niet altijd goed weg kunnen en elkaar daar ook in vinden. Zo lijkt ‘Pawlowski, Trouvé & Ward 2’ vooral een vehikel om wat tussentijds in elkaar gespeelde solostuff eindelijk een zekere plaats te geven. En toch is er een rode draad doorheen het geheel, al vraagt het wat tijd om die te herkennen. Want als er één trio is dat dergelijke grillige, weerbarstige muziekjes bij elkaar kan spelen, dan zijn zij het wel.

Beginnen doen we met een viertal composities van Craig Ward, stukjes ambient die heel goed aansluiten bij zijn soloplaat ‘Leave Everything Move Out’, de opvolger van ‘New Third Lanark’. Zo neemt dit album een opvallend zachte start met meanderend klanklandschapjes annex auditieve omzwervingen die in het verlengde liggen van een narcoleptische Brian Eno.

Dat gaat over in het korte geluidsexperiment Attention: Music, waarmee het luik van de muzikale kameleon Mauro Pawlowski aanvangt. Die stukjes zijn korter en worden gekenmerkt door een ADHD-achtige aanpak waarbij pop, weird folk (In Ancient Times), faux metalpastiches (Men In Sheds 1), samples van zeehonden (Quiz Master Ghost Animal mini-luikje) en kitscherige televisiejingles door elkaar geklutst worden. En zo snel als hij opdook, is hij alweer weg (It’s Gone), alvorens af te sluiten met het heerlijke In Starlight (We Must Be Alive) waarin Pawlowski, voorzien van een kamerbrede smile, een fijn loopje neemt met Spinal Tap.

Enter Rudy Trouvé die de boel mag afsluiten. Meteen kom je in een erg bekende geluidswereld terecht, gezien Trouvé eerder de man is van de vertaling van ideeën in songschetsen met een hoek af. Typevoorbeeld is het korte My Nerves Are Stretched So Far They Have Become Like Violin Strings, een van die vele titels (zoals ook Opening The Window on 16th June 2013) waar Trouvé gewoonweg een patent op lijkt te hebben. Het zijn fragmentjes eerder dan volwaardige songs. Soms gaat hij voluit, zoals met de hypernerveuze rocker Torch. Dan weer hoor je intiemere passages zoals single Thin Can of het pakkende At A Different Speed.  Om iets later toch weer bij kundig bij elkaar gebricoleerde stukken uit te komen zoals Life Support en Slow Dancers. Doet ons uitgeleide: een lange versie van September 1971.

In zijn geheel: een aparte collage die drie al te bijzondere talenten verzamelt. Dit is heerlijk antigif voor de mainstream. In de onderbuik van de muziekwereld komen er bijzonder fijne platen uit. Dit is er eentje van.


6 januari 2018
Philippe De Cleen