Hoe Blur en Oasis Britpop de nek omwrongen

Achtergrond

Precies twintig jaar geleden stonden twee Britse bands neus aan neus, strijdend om de titel van beste band van Groot-Brittannië. In de linkerhoek stond Blur, een band onder leiding van Damon Albarn met zijn wortels in het zuiden van Engeland. In de rechterhoek stonden twee barbaarse broers uit de Gallagherfamilie, met roots in het industriële Manchester. Beiden brachten op hetzelfde moment een single uit. Eindpunt: toen de kassa's na een week stopten met rinkelen en de best verkopende single bekend werd gemaakt tijdens Top Of The Pops. Het bleek het hoogtepunt, maar ook het eindpunt van de Britpop te zijn.





Het duel vond plaats in augustus 1995 – iets meer dan een jaar na de dood van Kurt Cobain, tegen wil en dank de leider van het Amerikaanse grungefenomeen. Niet alleen deze subcultuur kwam Groot-Brittannië binnenwaaien vanover de grote plas. Ook enorme supermarkten, ketens zoals Starbucks en Burger King en allerlei gewoonten en gebruiken kwamen de Britse cultuur binnengewandeld. De Britten voelden zich niet meer thuis in hun eigen land. En dat begon je na verloop van tijd te horen in de muziek van de jonge bands die toen opkwamen.

Met wijze lessen van The Smiths, Suede en The Stone Roses kreeg één band verrassend veel aandacht: Blur. Een groep jonge gasten die van toeten nog blazen afwisten en volledig verward waren door de situatie waarin hun land zich op dat moment bevond. Het publiek kon zich identificeren met het onsamenhangende, rommelige imago dat Albarn en de zijnen uitstraalden. Het volk was onthutst en Blur had daar de perfecte soundtrack voor.

In Manchester broedden twee broers op een ander volksbeeld. Hun doel: de mensen terug samenbrengen, de Britse cultuur terug nieuw leven inblazen en - vooral - iedereen een gezellige tijd laten beleven en de “working class” terug laten glimlachen. Oasis was geboren en, in het verlengde daarvan, werd ook de gezamenlijke Britse zangstonde terug in het leven geroepen.

Blur keerde zich meer en meer tegen de Amerikaanse cultuur. Hun hoogtepunt beleefden ze met ‘Parklife’, het derde album uit 1994. Met dit album sleepten ze ook vier Brit awards in de wacht; en dat terwijl de optredens tijdens de show nog verzorgd werden door artiesten als Elton John, Madonna en Take That. Een ommezwaai was in de maak. In de achtergrond van deze enorme Blur-triomf ging Oasis in stilte lopen met een andere Brit award, namelijk die voor beste nieuwkomer. Met hun debuut ‘Definitely Maybe’ wisten ze genoeg hoofden in hun richting te draaien. Maar toen de Blur-leden met complimenten begonnen te strooien richting Oasis, steeg het de Gallaghers ietwat naar het hoofd.

Tijdens een afterparty van de NME Awards in 1995 stonden Damon Albarn en Liam Gallagher gezellig te keuvelen met een glas in de hand. Wat begon als een vriendschappelijk onderonsje, mondde al snel uit in een heftige kibbeling. Liam Gallagher beweerde bij hoog en laag dat Oasis de grootste, Britse band van het moment was, iets wat je Albarn geen twee keer hoefde te zeggen. Albarn kwam te weten dat op 7 augustus de nieuwe single van Oasis uitkwam: Roll With It. Na kort overleg met zijn management beslisten ze de nieuwe Blur single Country House diezelfde dag uit te brengen en het volk te laten beslissen.

Met de hulp van NME magazine, die de twee bands op hun cover plaatsten alsof het om een boksmatch ging, gingen de poppen pas echt aan het dansen. Terwijl Saddam Houssein nucleaire wapens prepareerde, in Bosnië de oorlog vollop aan de gang was en Mike Tyson aan zijn comeback bezig was, had de pers enkel oog voor één onderwerp: het grote Britpopduel. Het Britse volk koos een kant en besliste zelf wie de koning van de Britse rock-n’-roll was.

Op zondag 14 augustus was het dan eindelijk zover. Het lang verwachte eindresultaat van de grote clash, live tijdens het toen erg populaire Top Of The Pops. Aangekondigd door Jarvis Cocker kwamen de Blur-leden lachend in een golfkar aangereden, met de mededeling dat ze meer dan tweehonderdvierenzeventigduizend singles verkocht hadden. Bijna zestigduizend meer dan de nieuwe van Oasis. Bassist Alex droeg zelfs een Oasis-T-shirt tijdens hun daaropvolgend optreden. Oasis had de veldslag duidelijk verloren. Maar de oorlog? Ho maar!

Niet veel later kwam het album ‘(What’s The Story) Morning Glory?’ uit, met als tweede single Wonderwall. Een hit die zich ver over de Europese grenzen verspreidde. Damon Albarn had dan misschien wel de officiële wedstrijd gewonnen, toch kon hij nergens zijn kop binnensteken of Wonderwall werd afgespeeld. Het album werd uiteindelijk het derde best verkochte album in Groot-Brittannië ooit. Daar kon Blur’s ‘The Great Escape’ niet tegenop, ook al werd dat album door criticasters goed ontvangen.

Terwijl Oasis niet alleen de grootste band van Groot-Brittanië was, maar gewoon die van de hele wereld, gingen ze live spelen op een enorm terrein in Knebworth, precies één jaar na de fameuze clash. Maar liefst twee miljoen mensen wilden de twee concerten bijwonen. Slechts tweehonderdvijftigduziend tickets werden verkocht voor wat Noel Gallagher achteraf beschreef als Britpopgeschiedenis. Wat begon als iets uit de ondergrond, evolueerde naar iets wat alle mensen aanging. Tabloids stonden er vol van en alle mensen spraken erover. En terwijl Oasis daar in Knebworth hun tweede optreden afsloten met Don’t Look Back In Anger, kwam bij veel mensen het besef dat voor de Britpop het summum bereikt was.

De Blur vs. Oasis-vete is iets dat vandaag de dag nog steeds leeft. Terwijl de Gallagherbroers lang elkaars strot wilden afbijten en verankerd bleven in datzelfde genre, wist Blur zich beetje bij beetje heruit te vinden en te evolueren tot één van de belangrijkste bands van de afgelopen twintig jaar. Wij besluiten graag met de gevleugelde woorden van Jarvis Cocker: “Oasis is soms een zeven en soms een negen. Blur is altijd een acht”. Aan u de keuze.

Op zondag 23 augustus kan je de Britpop aflevering van 'Seven Ages Of Rock' bekijken op Canvas. o.a. The Smiths, The Stone Roses, Oasis, Blur, The Libertines en Arctic Monkeys komen aan bod.

14 augustus 2015
Joris Roobroeck