Flashback 2006: J Dilla verliest strijd tegen zeldzame bloedziekte

Flashback
Flashback 2006: J Dilla verliest strijd tegen zeldzame bloedziekte

Dag op dag tien jaar geleden stierf hiphop-producer J Dilla, drie dagen na zijn tweeëndertigste verjaardag. Verslagen door een slepende bloedziekte, liet hij niet alleen een indrukwekkende discografie achter, maar bleef zijn stempel ook lang na zijn dood nog behoorlijk nat op alles wat met hiphop te maken heeft. Een kleine hulde aan een man die hiphop gemaakt heeft tot wat het nu is.



James Dewett Yancey, beter gekend als Jay Dee of J Dilla, werd geboren in Detroit op 7 februari 1974, als zoon van een jazz bassist en een opera zangeres. Muziek kreeg hij bijgevolg met de paplepel ingegoten. Rond zijn tweede levensjaar was hij dan ook vaak te vinden in het stadspark met zijn moeder, waar hij platen beluisterde op zijn Fisher Price platenspelertje. Op school leerde hij al snel twee gelijkgezinden kennen: T3 en Baatin, waar hij de hiphop formatie H20 mee zou vormen – later gekend als Slum Village. Naast werk met Detroit rapper Proof – later lid van D12, de rapformatie rond Eminem – was het vooral dankzij het Slum Village debuut ‘Fantastic, Vol.1’ dat J Dilla zijn naam vestigde in de scene. Iedereen wilde samenwerken met het wonder dat hiphop nieuw leven leek in te blazen, maar het was vooral Q-Tip die het hardst aan zijn mouw wist te trekken.

Samen met Q-Tip, Shaheem Mohammed (A Tribe Called Quest), D’Angelo en Raphael Saadiq richtten ze het producerscollectief The Ummah op. Tussendoor producete Jay Dee ook nog de hitsingels Drop en Runnin van The Pharcyde uit het klassieke hiphop album ‘Labcabincalifornia’. Met The Ummah en via een heleboel andere alter ego’s maakte Dilla de ene na de andere hit, zonder daar zelf voor op de voorgrond te treden. Met nummers voor Busta Rhymes, Janet Jackson, Common, Erykah Badu, De La Soul en Talib Kweli werd J Dilla’s muziek door iedereen gehoord, zonder dat het grote publiek doorhad dat al deze nummers door dezelfde man achter de schermen werd samengesteld. Kwatongen beweren zelfs dat J Dilla een groot aandeel had in de muziek die A Tribe Called Quest toen uitbracht, meer dan dat Q-Tip eigenlijk zou willen toegeven. Maar dat is een ander verhaal, en een stinkend putje dat we liever niet willen opendoen.

Terwijl artiesten die met hem samenwerkten met alle eer gingen lopen, werkte Dilla naarstig verder in zijn kelder, omringd door duizenden vinylplaten. Hij was een meester in het vinden van obscure samples, had de kunst om een typische schwung in zijn nummers te verstoppen, was de eerste die live drums versneed tot samples op zijn MPC, waardoor ze een warm gevoel bij de luisteraar teweeg brachten en hij had bovendien een geweldig oor voor catchy en vergeten deuntjes, die hij dan op zijn eigen typische manier verwerkte. Hij had een hekel aan het digitaliseren van analoge muziek en tikte al zijn nummers op , in producers kringen gekende, “potatos” – verschrikkelijk onhandige en frustrerende drummachines. Zo maakte hij ‘Donuts’ op een Roland SP-303, een machine die andere producers regelmatig tot wanhoop dreef.

Wie vandaag luistert naar J Dilla zijn werk zou zich misschien kunnen afvragen waar alle heisa over gaat. Wat vijftien jaar geleden revolutionair was, lijkt vandaag de dag nogal oubollig over te komen. Dat komt simpelweg omdat sinds de komst van J Dilla, elke producer zijn werkwijze gekopieerd heeft. Zijn methode is ondertussen standaard geworden in de hiphopwereld en zou weleens omschreven kunnen worden als “Kanye West afdankertjes”, terwijl Kanye, vooral in zijn ouder werk, zijn hele stijl nu net te danken heeft aan Dilla. Je zou dus gerust kunnen zeggen dat J Dilla de favoriete producer van jouw favoriete producer is.

Door zijn ziekte, was J Dilla zich volledig bewust van de genadeloos tikkende levensklok die weldra dreigde vast te lopen. Hij werkte als een bezetene aan zijn repertoire, tot op zijn ziekenhuisbed toe. In 2006 werkte Dilla aan zijn testament – en ook wel bekendste werk -  ‘Donuts’. Het werd een volledig instrumentaal album, dat uitgebracht werd op zijn verjaardag, drie dagen voor zijn dood. ‘Donuts’ werd een mengelmoes van oude en “future” beats die gezien wordt als een indrukwekkend naslagwerk van zijn talent en waar ook zijn dood langzaamaan kwam doorsijpelen. Zo is het nummer Stop een pijnlijk nummer geworden over de aftakeling van zijn lichaam en hoor je Dilla scratchen met een tekstregel waarop Jadakiss “is death real?” rapt.

Tot op de dag van vandaag kan je J Dilla zien staan bij production credits van nieuwe nummers. Joey Bada$$ (Snakes) bijvoorbeeld, Doom (Gazillion Ear) tot zelfs Jay Electronica en Danny Brown. Allemaal wisten ze in de Dilla pot te graaien in hun onlangs verschenen werk. J Dilla heeft genoeg materiaal gemaakt om het nog enkele jaren uit te zingen, zelfs tot lang na zijn dood. Het zijn net deze tijdloze elementen die van J Dilla een legende maken die we in hiphopkringen voor eeuwig moeten kosteren.

 


April 26, 2016
Joris Roobroeck