Flashback 2006: Arctic Monkeys veranderen voorgoed het muzieklandschap

Flashback

Tien jaar geleden kwam de debuutplaat ‘Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not’ van Arctic Monkeys uit bij Domino Records. Het was een plaat die niet alleen de levens van vier jonge snotters uit Sheffield zou veranderen, maar ook de hele Britse rockscene en de muziekindustrie an sich nieuw leven zou inblazen. Het verhaal van de kracht van het volk en - vooral - de kracht van het internet.





Na de oprichting van de band in 2002, zagen de vier schoolvrienden Jamie Cook, Andy Nicholson (eind 2006 vervangen door Nick O’Malley), Matthew Helders en Alex Turner zich al snel kleine shows spelen in de plakkerige, met tapijten aangeklede clubs, die de buitenwijken van Sheffield rijk zijn. Hun snedige gitaren en agressieve postpunk lieten een mengelmoes aan geluiden horen van populaire bands die hen al voor geweest waren. Ze speelden vaak covers van The Vines, The Strokes en The White Stripes en werden al snel aanzien als de groep, die The Libertines zou opvolgen als trots van het Verenigd Koninkrijk. Maar bovenal was hun succes het resultaat van het oldfashioned principe van mond-tot-mondreclame.

De bandleden verspreidden namelijk gratis demo’s aan iedereen die ze horen wilde. Tijdens optredens werden er cd's gratis aan de deur uitgedeeld, er werden er naast het loket van het postkantoor gelegd; ja, zelfs achteraan in een bus kon je al eens een verdwaald disketje van de band tegenkomen. Ook optredens werden lange tijd gratis gedaan. Hoewel organisatoren bijzonder opgezet waren dat zo’n jonge band gratis in hun zaal kwam spelen, verklaarden ze de band toch voor gek. De Arctic Monkeys waren voor de andere bands in de buurt dan ook een soort van oneerlijke concurrentie.

Maar een nieuw fenomeen bracht de muziek van de Arctic Monkeys verder dan ze ooit hadden durven dromen. Mark Bull, een fotograaf uit Sheffield, zette de demonummers buiten hun weten op Myspace. Zo werd de muziek, niet alleen voor vrienden en fans, maar ook voor de hele wereld bereikbaar. Het principe van mond-tot-mondreclame kreeg plots een heel andere dimensie: het werd mond-tot-mondreclame via ADSL.

Natuurlijk hielp het ook dat de muziek herkenbaar was voor het gewone volk. Vooral de observaties van de jonge Alex Turner gaven de band een boy-next-door-gevoel tegenover de grote, onaantastbare idolen die op dat moment de plak zwaaiden in de Britse muziekindustrie. Turner legde in nummers als Fake Tales Of San Fransisco uit hoe een heleboel mensen zich te goed voelden voor een drankje in een simpele pub in Rotherham. Of hij beschreef de “dreams of naughtiness”, die hij gadesloeg in een club vanop een barkrukje (I Bet That You Look Good On The Dancefloor). Kortom: Alex Turner hield ons een herkenbare, maatschappelijke spiegel voor de neus.

Het Britse volk aanbad hen, gewoon omdat iedereen het gevoel had dat ze zelf de band hadden ontdekt. Niet muziekblaadjes als NME of Rolling Stone hadden het volk deze band aangepraat, niet de grote labels hadden via een grote marketingcampagne deze band door je strot geduwd, maar het volk zelf had hen gedetecteerd via de ondoorgrondelijke wegen van het internet. Nog voor er ook maar sprake was van een debuutplaat of een contract, verkochten de Arctic Monkeys het London Astoria uit. De mensen stonden rijen dik te bedelen om een ticket of te dringen om toch maar een glimp op te vangen van deze nieuwbakken helden. De Arctic Monkeys waren toen al een fenomeen. De populariteit, die ze zelf via het internet hadden verworven, was op zijn minst revolutionair te noemen.

Ondertussen rolden de grote labels over elkaar om de band binnen te rijven, maar het was uiteindelijk het kleine Domino Records die met het been ging lopen. Opnieuw een sterke keuze van Turner en zijn vrienden. Zo kregen ze alle vrijheid die ze wilden om hun debuutplaat op te nemen, bij een label dat, door het verrassende succes van labelgenoot Franz Ferdinand, toch de nodige middelen had om hen voorgoed te lanceren en - vooral - artistiek bij te staan. In juni 2005 werd het contract getekend, in september was het debuut klaar. Het werd een verzameling nummers, die de band de afgelopen jaren bijeen had gesprokkeld, maar met toch een rode draad in verwerkt: de endemische, treffende verhalen en observaties van Alex Turner. Een wereldwijde hype lag trots met de benen in de beugel en was klaar om een prachtdebuut op de wereld te zetten.

Maar het internet bleek al snel een mes te zijn dat langs twee kanten snijdt. Het zorgde ervoor dat de Arctic Monkeys de meest gehypete band van het decennium waren, maar daardoor kregen ze ook te maken met een nieuw fenomeen dat de muziekindustrie voorgoed zou wakker schudden: het uitlekken van muziek voor zijn releasedatum. Terwijl de releasedatum eigenlijk voorzien was op dertig januari, zette Domino Records-chief Johny Bradshaw het album een week vroeger in de rekken: op drieëntwintig januari 2006. Het werd een nooit geziene stormloop in de platenwinkels.

‘Whatever People Say I Am,…’ werd in de eerste week 363.735 maal verkocht en werd daardoor het best verkopende debuutalbum ooit in het Verenigd Koninkrijk. Ondertussen is dat record alweer verbroken door Susan Boyle, maar die had het succes grotendeels te danken aan een populair tv-programma, terwijl Turner en zijn vrienden het vooral zelf verwezenlijkt hadden. Het album werd bekroond met een Mercury Prize en werd verkozen tot album van het jaar door oa. NME, Time Magazine en Q Magazine.

De grote verdienste zal vooral het effect blijven dat deze plaat heeft veroorzaakt in de muziekindustrie. Niet de labels, radiostations of muziekjournalisten zouden vanaf nu de artiesten als voorgekauwde brokjes presenteren. Sinds het debuutalbum van Arctic Monkeys beslissen we lekker zelf wat we graag horen.

26 april 2016
Joris Roobroeck