Flashback 1986: platenlabel Sub Pop ziet het levenslicht

Flashback

Wie Sub Pop zegt, denkt onmiddellijk aan krijsende gitaren, houthakkershemden, jammerende keelgaten en op- en neerzwiepende, lange haren. Juist ja, de grungeperiode maakte van Sub Pop tijdelijk het belangrijkste platenlabel van de wereld. Gelukkig keken ze over de hypegrenzen heen en mogen ze vandaag dertig kaarsjes uitschreeuwen. Wij snijden alvast de taart aan.





Het platenlabel Sub Pop werd op 1 juli 1986 opgericht door Bruce Pavitt (op foto met baard), maar de naam Sub Pop ging uiteraard al langer mee. Tijdens zijn studentenjaren in Washington richtte Pavitt een fanzine op dat ‘Subterranean Pop’ heette. In dat magazine werden verschillende, plaatselijke indiebands beschreven, en kregen geabonneerden bij elke editie een compilatiecassette met muziek van underground rockbands als toemaatje bijgestopt. Een schot in de roos, zo bleek al snel. De vijfde editie verkocht zowaar tweeduizend kopies in 1983, waarop Pavitt besloot de naam in te korten tot Sub Pop: een naam die in Washington en omstreken al snel de ronde deed.

In 1986 besloot Pavitt het fanzine vaarwel te zeggen met een ‘Sub Pop 100’-compilatie. Op de compilatie stonden nummers van oa. Sonic Youth, Skinny Puppy en Savage Republic, net als een stuk spoken word van Steve Albini. Er werden vijfduizend kopies van het compilatie-album gemaakt, waardoor het extreem populair werd bij verzamelaars. Daarna besloot Pavitt in zee te duiken met Jonathan Poneman (foto) om een platenlabel op te richten. Pavitt concentreerde zich op de artiesten, terwijl Poneman zich bezighield met alle geldzaken. Het leek lang een gouden combinatie.

Het eerste wapenfeit van Sub Pop was de ‘Dry As A Bone’-ep van Green River, een band die razendbekend was in Seattle en een inspiratie werd voor verschillende grungebands die later commercieel zijn doorgebroken.  Ze pompten ook geld in de eerste single van Soundgarden: Hunted Down/Nothing to Say, gevolgd door een eerste ep ‘Screaming Life’, die uitkwam in oktober 1987. Maar het eerste echte succes kwam met de single Touch Me I’m Sick van Mudhoney, een band die bestond uit leden van Green River. De andere leden van Green River, Jeff Ament en Stone Gossard, zouden later Mother Love Bone en Pearl Jam oprichten.

Het succes van Sub Pop werd in die periode vooral toegeschreven aan enkele vernieuwende en vooruitstrevende verkoopstrategieën. Zo werden er van de single Touch Me I’m Sick bij de eerste pressing slechts achtduizend stuks gemaakt, waardoor de single zeldzaam en dus zeer gewild werd. Verder fixeerde Sub Pop zich in het begin vooral op de florerende Seattle-gemeenschap en zetten ze het label zelf vooral in de kijker in plaats van de bands. Wie aan grunge dacht, dacht aan Sub Pop en aan één bepaald geluid, mede mogelijk gemaakt door producer Jack Endino, die meer dan zeventig projecten zou opnemen voor het Sub Pop-label in zijn typische, smerige gitaargeluid waar de grunge zo bekend mee is geworden.

Poneman omschreef het succes van Sub Pop altijd als een “toevallige combinatie van meevallers”. Charles Peterson, een bekende grunge-fotograaf, was er om alles op de gevoelige plaat vast te leggen, Jack Endino was er om de grungescene een eigen geluid te geven en Pavitt en Poneman om de Seattle-scene te verkennen en nieuwe bands te ontdekken. Het duurde dan ook niet lang tot ze bij Nirvana uitkwamen. Hun album ‘Bleach’ werd het eerste echte, commerciële succes en ging platinum. Grunge werd mainstream. En daar heeft Sub Pop heel wat financiële vruchten van kunnen plukken.

Maar ook na de grunge wist Sub Pop te overleven. Naast ‘Bleach’ heeft het label met ‘Give Up’ van Postal Service en ‘Flight Of he Conchords’ van het gelijknamige duo nog tweemaal platinum behaald. 'Wincing the Night Away’ (The Shins) en het titelloze debuut van Fleet Foxes haalden dan weer een gouden status. Andere bands, die zich ooit tot de Sub Pop-familie mochten rekenen, waren The White Stripes, Bright Eyes, Smashing Pumpkins, L7, Hot Hot Heat, Cansei De Der Sexy, Band Of Horses en The Beach Boys.

Momenteel werken er nog steeds tussen de vijfendertig en veertig mensen voor het label, allemaal gestationeerd in de "World Headquarters" in Seattle. Artiesten, waar ze momenteel mee te koop lopen, zijn ongetwijfeld Father John Misty, Beach House, Goat, King Tuff, Metz, Pissed Jeans, Wolf Parade en Shabazz Palaces. Ishmael Butler, frontman van Shabazz Palaces, werd zelfs aangesteld als A&R-man bij Sub Pop om een nieuwe, eerder hiphopgetinte wind doorheen het label te laten waaien. Een mooi bewijs dat Sub Pop na dertig jaar nog steeds niet de intentie heeft om het kopje neer te leggen.

30 juni 2016
Joris Roobroeck