Als hij maar geen singer-songwriter wordt

Achtergrond

Dat moet ons weer overkomen. Gevraagd op een babyborrel - hopelijk tapten we niet uit een vaatje van eigen makelij - zitten we het kersverse ouderpaar te begluren vanuit een hoek. Door de luidsprekers van de voor de gelegenheid opgefriste parochiezaal bereiken ons klanken van James Bay, Tobias Jesso Jr. en – als kers op de taart – Milow. Als die kleine maar geen singer-songwriter wordt.





Want dat is toch algemene kennis sinds ongeveer vijftig voor Christus: de singer-songwriter is een te mijden figuur. Na elk avontuur van Asterix werd Assurancetourix  (aka Kakofonix) terecht gekneveld en gemuilkorfd. En toch: er was een tijd dat een bard (tegen wil en dank) werd uitgeroepen tot Stem Van Een Generatie. Zo’n vaart loopt het de laatste jaren gelukkig niet meer, al kan je je afvragen waarom een Ryan Adams minder geniaal zou zijn dan een Bob Dylan.

Wie wordt er nu in hemelsnaam singer-songwriter? Muzikant, dat is al erg genoeg, maar die speelt dan toch nog in een groep. Maar zo’n asociale singer-songwriter? Let op, verwar de singer-songwriter niet met de “chick-magnet” met akoestische gitaar waar je jaloers naar opkeek aan het kampvuur van het KSA-kamp. Dat is in het beste geval een “singer”, die liedjes van echte songwriters misbruikt, om (te?) jonge meisjes in beige rokjes te verleiden.

Nee, de singer-songwriter is het type dat, wars van hongergevoelens of andere dringende oproepen van de natuur, zich uren, desnoods dagenlang terugtrekt in een of ander bedompt zolderkamertje – of in sommige gevallen een blokhut – om daar, zich wentelend in de eigen stronterige miserie, met een miezerig handschrift het Grote Onrecht dat hem werd aangedaan aan een beduimeld, bevlekt Liedjesschrift toe te vertrouwen. Liefst in een soort kleffe, poëtische stijl, want dan is het gemakkelijker om daar achteraf noten bij te verzinnen.

Zou het niet kunnen dat het enkel die vreemde snuiters zijn, die zich al in de lagere school doen opmerken door niet mee te voetballen met de andere jongens en in de klas het hoofd doen rusten op de handpalmen terwijl ze met glazige blik door het ongewassen, met afdrukken van voetballen versierde klasraam blikken? Hetzelfde type dat liever met meisjes speelt tot die borstjes beginnen krijgen en genoeg hebben van die hangerige puppy, die zich altijd in de buurt wil ophouden terwijl zij liever over de foute, stoere jongen willen leuteren en giechelen bij een blik van diens sixpack.

Het type dat vroeger een goed doorbakken vlaai rond de oren kreeg van de meester en daar dan godbetert ook nog een liedje over schreef toen zijn haren langer waren dan die van zijn moeder. Het type dat nu ter sprake komt in leraarskamers waar bezorgde kloeken van onderwijzeressen zich buigen over hoe ze dit hypersensitieve indigokind moeten aanpakken. Laat het dames, de meesten sukkelen watervalsgewijs toch door hun schooltijd om zich dan, getormenteerd en misbegrepen, aan "De Kunst” te wijden.

Eigenlijk is er geen wezen meer te beklagen dan de singer-songwriter. Of het moest de muziekrecensent zijn. Dat type dat ongevraagd en totaal verstoken van kennis van zaken en respect voor de kunstenaar zijn mening geeft over het werk van de singer-songwriter. Of de GAS-ambtenaar die de recensent betrapt terwijl die wildplast tegen de kerk tegenover het café waar hij net de zoveelste singer-songwriter zag optreden. Of nee, nog lager op de ladder staat de politicus die de GAS-boetes in het leven riep.

Gerustgesteld en lichtjes beneveld wensen we de ouders het allerbeste en werpen de wee uit zijn luier ruikende kleine nog een laatste blik toe. Oh nee, Is dat een Passenger-T-shirtje?

2 april 2015
Marc Alenus