Will Stratton Rosewood Almanac

Bella Union
Rosewood Almanac

Na vijf uiteenlopende albums komt de Amerikaanse songschrijver Will Stratton bij Bella Union terecht. Goede zet van labelbaas Raymonde, die hem tijdens een avondlijke surfbeurt ontdekte, want Stratton is meer dan een goede aanwinst.

De nog maar dertigjarige singer-songwriter zingt en speelt met een levenswijsheid die oneigen is aan zijn jonge leeftijd. Op het naar zijn gitaar vernoemde 'Rosewood Almanac' brengt hij songs in het verlengde van de Britse folk met gitaarhelden als Pentangle, Richard Thompson of Bert Jansch. Maar die (soms pastorale) folkroots belemmeren hem niet om een modern klinkend album te maken.

Je zou hem met wat goede wil kunnen omschrijven als een hedendaagse balladeer, die jarenlang kennis heeft genomen van de albums van Thompson, Sandy Denny en een tragische figuur als Nick Drake. Met die laatste deelt hij een voorliefde voor fingerpickings en alternatieve tunings, al is Stratton duidelijk extraverter in aanpak en werkmethode.

Hoewel de songs in wezen teren op ingetogenheid en soberheid, klinkt opener Light Blue toch verrassend krachtig, vol energie en vitaal. Slechts één keer komt Stratton terug op zijn gevecht met kanker, meer bepaald tijdens de afsluiter Ribbons.

Stratton is een overlever en Thick Skin is daar een duidelijke verwijzing naar. Toch valt op dat Stratton in zijn liedjes vaak kwetsbaar en fragiel klinkt. Ze zijn relatief eenvoudig en sober, op maat van de gitaarspelende folkie die hij is. Manzanita bewijst zijn voorliefde voor goed in het oor liggende melodietjes. Ook de manier waarop hij dergelijke songs inkleedt (een heerlijk stukje trompet, wat strijkers) is vermeldenswaard. En bij het rijke, diepe, mooie Vanishing Class moeten we zelfs een traantje wegpinken.

In Whatever's Divine beklemtoont hij het hier en nu. Hij wil niet teren op de rijke muziekgeschiedenis, maar net zijn eigen songs en stem centraal stellen met tien subtiel gearrangeerde songs, die samen een mooi, melancholisch en rijk geheel vormen. Strattons muziek doet denken aan de zomer, aan je voeten voor het eerst in water dompelen. Soms zijn de songs naakt en kaal, zoals in het grotendeels akoestische I See You dat vrijwel alleen uit gitaartokkels en een warme stem bestaat.

Zijdezachte schoonheid ontwaren we ook tijdens het naar Joni Mitchell verwijzende Some Ride. De grens met het pathetische is nooit ver weg, wat onder meer uit het korte, drifterige Skating On The Glass blijkt. Naar het einde toe is er nog een heerlijk This Is What We Do alvorens hij er met Ribbons een strak punt achter zet.

Goede songs, rijke stem, dito plaat. Een bijzondere ontdekking.


1 juli 2017
Philippe De Cleen