Tommigun Wooden Son

9000 Records
Wooden Son

Het is alweer vier jaar geleden dat Tommigun de alternatieve, Vlaamse scene beroerde. ‘Pretenders’ was een ware goocheltruc in melancholie, die vooral werd uitgespeeld door de man-vrouw-zang van stuurman Thomas Devos en Kaat Arnaert. De nogal ruwe, derde ‘Wooden Son’ gooit het helemaal over een andere boeg en presenteert - wat de band zelf noemt - een boel "prison work songs".

Beeld je maar even in: hard werkende houthakkers of industriewerkers in een verre Amerikaanse uithoek, die zweten en zwoegen en zich op het eind van de dag loslaten op bier en barbecues. Het is dat soort ruigte, waar het hier om gaat. Een worksong is letterlijk een lied dat het werkritme van de arbeiders aanvoert. Zo letterlijk hoeft het niet, al hebben de eerste, duistere folkongs op deze plaat met die expliciete samenzang wel een bepaalde “drive” in zich.

Het geheime wapen, dat Tommigun daarvoor hanteert, is het ritme. De duistere, bluesy psychedelica van Turn Over krijgt een vernuftige boost dankzij zo’n handklap-achtig percussiewerk. Of luister naar de akoestische ballade Send Me waarin Devos en Arnaert uitzonderlijk nog even vocaal tegen elkaar aanwrijven en dat met zijn glockenspiel wat durft weg te mijmeren, maar door een hardnekkige trom tegen de grond wordt gedrukt. Donkere beats, die contrasteren met zalvende, harmonische melodieën, daar gaat het om. Een ander bijzonder ingrediënt: de shekere. Deze Afrikaanse kalebas met kraaltjes om zorgt voor een gestaag, negrospiritual-achtig ritme in de heerlijke titeltrack.

Dat ritme is aanvankelijk echt belangrijk en wordt in spitsvondige, hoekige drumbeats uitgewerkt. Spijtig genoeg laat de band deze ritmische pit halfweg dit album varen en begint ‘Wooden Son’ meer en meer te verglijden. Elektrobeats vervangen fraai in elkaar geknutselde cadansen en gaan dan nog erg traag lopen en zwaar wegen ook. Een filmische, minimale balade met voorzichtig, elektronisch tapijt, doezelige ambientsferen met laatavondpiano en ooh-samenzang, een trage beat in Big Wave; een beetje een vreemd kader voor de boodschap “come on and dance with me”. Meer en meer lijkt het erop dat Tommigun moeite heeft met zichzelf.

Emotie wordt afgevlakt, pieken niet toegestaan. De tweede helft van ‘Wooden Son’ verglijdt in een groezeligheid van onderdrukte psychedelica en een less-is-more-principe, wat afsluiter Nice Enough fijn aantoont. Nadat het feitelijke nummer is afgelopen, doolt de band nog een dikke drie minuten doelloos rond, tot de luisteraar echt doorheeft dat de “nice” in de titel geheel overbodig is.

Over een bizar album gesproken! Het beetje grip dat Tommigun de luisteraar aanvankelijk nog gunt, verglijdt volledig. Van grip naar onbegrip, het is natuurlijk ook een kunst. Maar of er een groot publiek is dat deze kunst aanhangt, is nog maar de vraag. Net zoals het misschien wat bizar lijkt om een halfnaakt, corpulent persoon via diverse fotografische invalshoeken op de hoes te belichten.


November 25, 2016
Johan Giglot