The James Hunter Six - Off The Fence

Easy Eye Sound

Off The Fence

Hij heeft de stem van een oude soulzanger uit de jaren zestig, en ook de muziek die hij maakt wortelt in lang vervlogen tijden. Toch slaagt de Brit James Hunter er nu al elf platen lang in allesbehalve belegen en gedateerd, maar integendeel fris van de lever en opwindend te klinken.

James Hunter – in 1962 geboren als Neil James Huntsman – was negen toen hij dankzij een collectie oude singletjes van zijn oma verliefd werd op oude R&B, soul en rock-‘n-roll. Van zijn oudere broer Perry, zelf folkmuzikant, kreeg hij niet veel later zijn eerste gitaarlessen, en toen hij zestien werd, was het voor hem een uitgemaakte zaak: muziek – of beter gezegd “déze soort muziek” – was zijn ware lotsbestemming.

Aanvankelijk moest hij, om de eindjes aan elkaar te knopen, het spelen in clubs en pubs (en op straat) combineren met een baantje als spoorwegarbeider. Pas met zijn eerste groep Howlin’ Wilf & the Vee-Jays kreeg hij zijn carrière echt op de rails. De band nam vier platen op, maar belangrijker was dat ene Van Morrison tijdens een clubconcert zodanig onder de indruk raakte van Hunter en zijn stem dat hij hem prompt opnam in zijn eigen band. Hunter is te horen op Morrisons liveplaat ‘A Night In San Francisco’ en op het album ‘Days Like This’. Als tegenprestatie leende Van the Man zijn stem aan twee Bobby “Blue” Bland-covers op Hunters debuut ‘…Believe What I Say’ uit 1996.

Na jaren waarin (relatief) succes en zwarte sneeuw elkaar afwisselden, verscheen in 2013 met ‘Minute By Minute’ een eerste plaat als The James Hunter Six. Ze werd opgenomen door Gabriel Roth, niet alleen medeoprichter en huisproducer van Daptone Records, maar ook toetsenman bij Sharon Jones & the Dap-Kings. Roth, ook gekend als Bosco Mann, zit sindsdien bij elke nieuwe plaat aan de knoppen, dus ook deze keer. Dat is enigszins opmerkelijk, aangezien Hunter Daptone voor ‘Off The Fence’ inruilde voor het Easy Eye Sound-label van Dan Auerbach, die de plaat ook mixte.

Maar even goede vrienden dus, en ook wat het muzikale aspect betreft is alles bij het oude gebleven. Hunter bewijst nogmaals waarom hij door MOJO ooit “The United Kingdom’s Greatest Soul Singer” werd genoemd (men vergelijkt zijn stem weleens met die van Sam Cooke en Ray Charles), maar ook de songs zijn stuk voor stuk “effenaf straf”. De twaalf tracks werden nagenoeg in één take ingespeeld in de studio – om het livegevoel te vatten, maar ook omdat Hunter de interactie tussen de muzikanten erg belangrijk vindt.

Af en toe is er wat verloop in het personeelsbestand van zijn “Six”, maar de bezetting is altijd nagenoeg dezelfde. Hunter neemt zelf zang, gitaar en mondharmonica voor zijn rekening, en wordt voorts bijgestaan door een drummer (Rudy Albin Petschauer), een contrabassist (Myles Weeks), een toetsenman (Andrew Kingslow), een baritonsaxofonist (Michael Buckley) en een tenorsaxofonist (Drew Vanderwinckle).

In een interview naar aanleiding van deze plaat zei Hunter half grappend dat hij in zijn muzikale ontwikkeling ondertussen tot in 1964 is geraakt. Dat klopt helemaal. Aan nieuwlichterij of een eigentijdse benadering van oude muziek waagt hij zich niet, het moet echt klinken zoals het dat een dikke zestig jaar geleden deed. U mag zich dan ook verwachten aan een heerlijke cocktail van vintage soul en rhtythm-and-blues, aangelengd met geutjes rock-‘n-roll, blues, jazz en zelfs Latin, en aan een evenwichtige mix van hartverwarmende ballads en opzwepende uptemposongs.

Meer dan veertig jaar al belijdt hij zijn diepe, oprechte liefde voor deze stijlen, die hij zich intussen helemaal eigen heeft gemaakt. Maar ook al beheerst hij alle aspecten van deze muziek tot in de puntjes, Hunter gaat niet zover dat hij pretendeert een reïncarnatie te zijn van een oude, Amerikaanse soulzanger van weleer. De echte James Hunter - een aimabele, goedgeluimde Engelsman met gevoel voor (droge) humor – openbaart zich in de teksten.

Geen enkele track op ‘Off The Fence’ is minder dan uitstekend. Zelfs enkele maanden na de release, is dit een plaat die we nog altijd met veel plezier opzetten en waar we keer op keer erg goed gezind van worden. Gooi ze in een afspeellijstje met nummers uit de “goeie, oude tijd”, en u doet menig melomaan de wenkbrauwen fronsen en zich afvragen van welke grootmeester deze of gene song nu ook weer was.

Niet overtuigd? Luister dan naar de op een rumbaritme dobberende opener Two Birds One Stone, het swingende Ain’t That A Trip (met Van Morrison), het zonovergoten Believe It When I See It, het rete-aanstekelijke Gun Shy of het jazzy Particular, de song waar hij – terecht – het meest trots op is en van begin tot einde klinkt als een klassieker. De rest laten we u graag zelf ontdekken – op plaat of live, want volgende maand staat hij op Blues Peer, waar hij op zondagavond 24 mei Club Mississippi mag afsluiten.

14 april 2026
Marc Goossens