The Afghan Whigs In Spades

Sub Pop Records
In Spades

Met de nodige argwaan doken wij in deze plaat om dan toch onderuit gehaald te worden.

Laat ons beginnen met een persoonlijke bekentenis: we hebben nooit begrepen wat mensen zagen in The Afghan Whigs. Na de hoogdagen van de hairmetal en foute synthpop sproten alternatieve bands als Pixies en Nirvana op, die teruggrepen naar de sixties – oorwurmhoogdagen waarin pop en rock nog niet lijnrecht tegenover elkaar stonden – en naar de rauwe emotie van de blues.

Greg Dulli en de zijnen reden van in het begin hun eigen koers. De Whigs waren opgegroeid met soul en r&b en in hun snedige cock rock nam de groove een veel belangrijker positie in dan melodieuze verfijning. Voeg daar een zelfingenomen schreeuwlelijk van een frontman aan toe en je krijgt een cocktail die enkel liefde of haat opwekt en niets daartussen in.

Even doorspoelen naar 2001: Afghan Whigs split en Dulli gaat zijn eieren leggen bij The Gutter Twins en The Twilight Singers. In 2014 verschijnt er alsnog een nieuw Whigsalbum, ‘Do To The Beast’. En plots zien ook wij het licht. De band is intussen de facto gelijk aan The Twilight Singers en ook de stijl is geëvolueerd. De nummers worden niet langer volledig dichtgeplamuurd met verzengende gitaren; er wordt ruimte gecreëerd rondom Dulli’s stem, die er met de jaren op vooruitgaat.

Nu, bijna dertig jaar sinds het prille begin, verschijnt ‘In Spades’. De plaat krijgt met Birdland een erg barokke intro: een ingetogen Dulli en verder enkel strijkers. Arabian Heights volgt en trapt de deur in met een verdomd sexy groove. Waar de Whigs in het verleden bekendstonden om de climactische refreinen, zijn ze er de laatste jaren meester in geworden om dat hoogtepunt uit te stellen. En hier blijft het zelfs gewoon uit.

De band is ook weidser gaan arrangeren en spaart piano, strijkers en blazers niet. Dat geeft de gestaag opbouwende pianoballad Demon In Profile een cachet dat vaagweg doet denken aan de pareltjes die wijlen Lee Hazlehood uit zijn cowboyhoed wist te toveren en ook het door de drums gestuwde Toy Automatic krijgt er extra diepgang door.

Dulli lijkt milder geworden met de jaren, bijt minder fel van zich af. Dreiging heeft plaats gemaakt voor melancholie en dat hoor je in zijn stem. Oriole is een sleper die wordt opgesmukt door een mean motherfucker van een leadgitaar en Dulli’s beheerste zang draagt veel meer emotie dan zijn uithalen ooit konden bewerkstelligen.

Copernicus begint smerig, duister, met een nijdige riff, maar ontluikt na twee minuten en ontpopt zich zowaar tot een fuzzy popsong. Light As A Feather leunt nog het dichtste aan bij de Whigs van de nineties; met funky strofen en een uitbarsting van een refrein. Het pianonummer I Got Lost neemt meteen gas terug en toont Dulli op zijn kwetsbaarst. Het pompeuze Into The Floor, dat erop volgt, sluit de plaat af, maar doet enigszins over the top aan na zijn ingetogen voorganger.

Dit is een straffe plaat van een band die groeit naarmate ze ouder wordt. Al zal de diehard fan het daar allicht geenszins mee eens zijn.


6 mei 2017
Andreas Hooftman