Public Service Broadcasting Every Valley

Pias Records
Every Valley

Op 'Every Valley' heeft Public Service Broadcasting met behulp van wat goed volk als James Dean Bradfield het over de mijnstakingen in Zuid-Wales, jaren tachtig. 

Hoewel frontman J. Willgoose in de hoesnota's aangeeft dat hij geen directe band met Wales of met de mijnwerkers had, maakte hij en zijn kompanen er toch een album rond. Vooral omdat de problemen rond autoriteit en die tussen werknemer en werkgever vandaag nog steeds gelden.

Er is het grandioze optimisme en heroïsche dat het album kenmerkt. Al van bij de van spanning en zelfverzekerdheid blinkende opener en titeltrack met een voice-over van Richard Burton wordt snel duidelijk dat het beroep van mijnwerker destijds bijzonder nastrevenswaardig was. De "working class pride" en het afgrijzen van de financiële elite is meer dan overduidelijk in in de tekst die Burton declameert: "There was the arrogant strut of the lords of the coal face", of: "They were the kings of the underworld".

Het gebruik van audiofragmenten uit de archieven van auntie Beeb maskeert ten dele de afwezigheid van een zanger. Wel wordt er gewerkt met een handvol gastvocalisten, zoals dus James Dean Bradfield  van Manic Street Preachers.

Public Service Broadcasting herwerkt het verleden en geeft het een modern, hedendaags geluid. Dat werkt prima, zeker omdat de groep er alles aan doet om de sound zo filmisch mogelijk te maken. In zekere zin is dit dus een soundtrack, maar dan wel één met een stevige, doordachte en intrigerende klank dankzij het gebruik van die bijzondere audiosamples. Luister maar naar het op mechanisch en industrieel ritmespel, fraai gitaarwerk en subtiel saxofoonspel terende The Pit.

The People Will Still Need Coal klinkt groots, in het verlengde van U2 ten tijde van 'Achtung Baby' (zeker dat gestoei met ritmes), optimistisch en hoopvol, al zit er ergens ook een dubbelzinnig, ironisch kantje aan. Er is dus hoop op vooruitgang. Dat mondt vervolgens natuurlijk uit in Progress, waaraan Tracyanne Campbell een bijdrage levert.

De op- en ondergang van de mijnindustrie is het centrale thema van dit conceptalbum. Vooral in de eigenlijke body van het album (Go To The Road, het ronduit kwaadbloedige All Out en het naar de Manic Street Preachers verwijzende Turn No More (met Bradfield)) zit veel kwaadheid en venijn over hoe het menselijke het nooit haalt van de vermarkting en hoe automatisering en robotisering een hele maatschappij danig ondermijnt. They Gave Me A Lamp (met gastinbreng van Haiku Salut) om in de diepe mijnen af te zakken, maar meer ook eigenlijk niet. Dit album is niet alleen de kanalisatie is van woeste mijnwerkersenergie, maar ook de verwerking van een verleden.

Naarmate het album vordert, vallen de stukjes steeds meer op hun plaats. Zo doet de muzikale uitwerking van het mijnwerkersthema denken aan de ijzersterke films van Ken Loach of de manier waarop klassiek componist Johan Johannson eerder met 'The Miners Hymns' de mijnwerkersthematiek benaderde.

De grootsheid zit hem in de opbouw naar de finale met het jazzy You + Me, het buitenbeentje omwille van de meer persoonlijke toets dat wel degelijk binnen het bredere concept past omdat het onder meer gaat over de sterkte van het samenzijn in moeilijke omstandigheden, Mother Of The Village en het a capella Take Me Home, waarin de miner chants de opwachting maken.

Tezelfdertijd hoedt de groep zich ervoor om te nadrukkelijk aan politieke stellingname (het neoliberalisme van Margaret Thatcher) te doen. Op die manier wordt het menselijke verhaal in de bredere zin duidelijker op de voorgrond gezet. Geen perfect afgerond verhaal; daarvoor zijn er net iets te veel slordigheden, maar wel een heel fijn album dat zijn tijd vraagt.


9 augustus 2017
Philippe De Cleen