Moby - Future Quiet
BMG
Moby: dick volgens Eminem, muzikale held met een Mening volgens vele anderen. Uitdragen van kritische meningen - rond de staat van de wereld, politiek, ecologisch en ethisch - past in hoe hij zichzelf ziet: in de eerste plaats als activist, dan pas als muzikant. Na het eerder starten en sluiten van een veganistisch theehuis en restaurant, zette hij de relaties tussen de strijd rond dierenrechten, veganisme en punkrock centraal in de zelfgemaakte ‘Punk Rock Vegan Movie’. Keet schoppen, wie het (niet) horen wil een geweten schoppen: het is een natuurlijke drang voor vele punkrockers en straight edgers.
Moby deed dat na een korte aanloop. Geboren in Harlem NYC, op tweejarige leeftijd zijn vader verloren bij een dronken autorit, groeide hij verder op in een conservatief dorp in Connecticut met joints in de hand, hippiekleren uit de kringloop, en vanaf z’n negende de vingers aan gitaar, piano en percussie. Niet tevreden met de wereld, sloot hij van zijn dertiende tot zijn zeventiende aan bij punkband Vatican Commandos, met eigen Pregnant Nun label, om later nog drie weken te spelen bij Ultra Vivid Scene.
Maar alléén vaste instrumenten bespelen voelde als te beperkend voor Moby, en overstappend naar een universiteit in NYC, voor een vroeg gestopte studie in filosofie, stortte hij zich diep in hiphop, house, rave en techno. Niet alleen als dj: als Voodoo Child brak hij snel door in underground dance middens, ook in België. We spreken over 1990: een tijd waarin vele alternatieve gitaarliefhebbers lijnrecht tegenover dance stonden.
Voorjaar ’91 knalde Moby’s remake van het eigen Go met slim gesampled ‘Twin Peaks’-motief door de betere hitlijsten. De man - volgens de laatste inzichten dus tóch geen verre afstammeling van de auteur van Moby Dick - zag het helemaal voor zich: hit na hit scoren, daarmee stap voor stap problemen van zich afschuddend. Met ‘Ambient’ zou dat alvast niet lukken. Gevuld met lichtgewicht ambient en ambient trance, zou het album illustreren waar de muzikant in Moby aan leed: een naar eigen zeggen bijna verlammende behoefte aan goedkeuring van een breder publiek.
Gelegenheidsmuzikant blijvend bij punkrockbands, af en toe dj’end in kleine dansbars, zocht hij bruggen tussen beide scenes. ‘Everything Is Wrong’, met ingesloten traktaat over de ecologische staat van de wereld, slaagde gedeeltelijk in die missie. Laverend tussen metal en rave, zouden vooral breakbeathit Feeling So Real en de orkestrale rave van Hymn commercieel scoren, maar slotnummer When It’s Cold I’d Like To Die - in een winters kraakpand geschreven met de hulp van Mimi Goese, na een eigen relatiebreuk - haalde de soundtracks van ‘The Sopranos’ en verschillende seizoenen van ‘Stranger Things’. ‘Future Quiet’ opent met een herwerking ervan – maar daarover zo dadelijk meer.
In gelimiteerde oplage verscheen met ‘Underwater’ nog een gelimiteerde ambient-extensie bij ‘Everything Is Wrong’, maar die ging artistiek gezien toch eerder kopje onder. Opvolger ‘Animal Rights’ trachtte ambient nog te koppelen aan digitale en gitaarhardcore, maar mislukte commercieel. Boekte Soundgarden hem in ’96 als voorprogramma, dan werd hij ook nog door hun fans uitgespuwd. In muzikale spreidstand tussen beide scenes, onder tanend succes, kwamen drank en drugs geleidelijk op het pad. In de stilste uren zouden platen van vooral Joy Division, Pärt, This Mortal Coil, het rustigste uit Eno en Bowies samenwerkingen, en een oude kopietape van Cocteau Twins’ ‘Treasure’ wat verzachting brengen.
Het verschijnen van ‘Future Quiet’ - deels ook een ode aan die platen - werd gepromoot met referenties naar het werk van laatstgenoemde twee acts. Een dwaling, helaas. De poëtisch-etherische dreampop van Cocteau Twins is een Klasse Apart, en de unieke donkerromantische melancholie van This Mortal Coil wordt ook nergens geëvenaard. Iemand zou hun Song To The Siren tot leidmotief van een nieuw ‘Stranger Things’-seizoen moeten maken.
Aan donkere melancholie nochtans geen gebrek, kort na het falen van ‘Animal Rights’. Zijn Amerikaanse label liet hem vallen – Moby had de hoop op verder succes zo ongeveer verloren, en wilde nog één plaat maken, voor het trouw gebleven Mute. ‘Play’ zou zoveel meer worden. Ze zou de scene openbreken voor een mix van elektronica, pop, gitaren, blues en soul. Máár, hoe hard ook in vegantermen, het meeste vlees en bloed zaten stiekem toch wel in de soul- en blues-samples, met Vera Hall in Natural Blues, The Banks Brothers in Why Does My Heart Feel So Bad? en Bessie Jones in Honey.
Vooral door brede licensing voor film, commercials en documentaires, zou de plaat met twaalf miljoen verkochte exemplaren één van de meest succesvolle worden in de (brede) elektronica. Alleen: het ideaal van verlossing van eigen demonen via succes, zou lelijk botsen met de realiteit. Na zijn – anonieme - bijdrage aan een plaat van Bowie (‘Heathen’) en het succes van 18 (met We Are All Made Of Stars en het door een gospelsample getekende In This World als trekkers), stond hij eind 2002 op het dak van een poepsjiek luxehotel in Barcelona, vlak voor uitreiking van de MTV Awards. Wankel keek hij in de diepte. Niet zozeer naar het straatbeeld beneden, wel in het gat van de eigen ziel - eenzaam en depressief.
In 2008, na alweer een tanende verkoop van enkele opvolgers, volgde nog zo’n fase, toen het kopen van de bovenste vijf verdiepingen van een chique gebouw aan Central Park de eenzaamheid versterkte. Na een decadente fase volgde de stap naar de AA, en de verkoop van allerlei vastgoed.
Pendelend tussen rave, wahwah-gitaarpop, op blues en soul geïnspireerde ballads, metal, punkrock en klassieke bewerkingen van succesnummers op Deutsche Grammophon, met doorlopend authentiek verzet tegen de vleesindustrie en kritische noten rond politiek en ecologie, blijvende honger naar breed succes over een daarin eerder wisselvallig pad, ontsporingen in drank, drugs en seks en langdurige onthouding vervolgens, viel er dus wel wat te beschouwen, aan goeie en mindere keuzes onderweg.
Voeg daar nog worstelingen met slapeloosheid en faalangsten bij, en Moby’s vaststelling dat therapie en meditatie wel helpen in omgang met oude en nieuwe pijnen, maar muziek misschien wel nog belangrijker is als doorlopend hel(p)end medium, en je hebt het vertrekpunt van ‘Future Quiet’. Met als insteek: een plaat als tegengewicht tegen multimediale overprikkeling. Toen Moby debuteerde, verwerkte ieder mens gemiddeld nog geen megabyte per dag aan digitale info. Intussen is dat 74 GB. Als deze review nog lang doorgaat haalt u zelfs 75.
Tijd voor een rustpunt dus. Voor Moby zelf, en voor wie er verder voor openstaat. En dat zijn niet noodzakelijk fans van Cocteau Twins en This Mortal Coil. Daarvoor klinkt de plaat – helaas - té vaak té gelikt, en te zeer gericht op een breder publiek dan misschien wel goed is. De oefening begint met Jacob Lusk als tenor, bijgestaan door cello, viool en Moby op vleugel, daarmee When It’s Cold I’d Like To Die hertekenend - een gevolg van het ook voor hem onverwachte succes als soundtrack bij cultserie ‘Stranger Things’ (in seizoenen 1, 4 en 5). Het mag gezegd: Moby herkent goeie stemmen. Lusk, ook vroeg vaderloos, later hoog scorend kandidaat-Idool in de VS, een tijdje dakloos erna, en intussen zanger bij Gabriels, legt zeker ziel in de performance. Aanzwellende strijkers en galm geven hem vleugels, ze voorzichtig sluitend bij slotbegeleiding zonder reverb, maar, waar Moby inspiratie haalde bij Song To The Siren, is het resultaat toch een pak gelikter dan dat intieme, prachtig door Elisabeth Fraser gezongen lied. Die titel ook…
This Was Never Meant For Us zet Moby aan de micro. Hij weet zelf wel dat hij geen groot zanger is - reden waarom zoveel gaststemmen zijn platen en “lives” bijkleuren - dus houdt hij het bij spraakzang, waarin hoge en lage frequenties zijn gefilterd, alsof de stem, opgediept uit een stoffig geluidsarchief, een mislukte liefde overdenkt. Slimme productie dus, die zeker bijdraagt tot de intimiteit.
Retreat is een stilistisch vrij herkenbare Moby-ballad. Een kort lament - met Lusks stem? - circuleert onophoudelijk doorheen een galmend golvende symfonie met herhaald pianomotief. Helaas: de grens tussen sfeerschepping en irritante voorspelbaarheid blijkt hier te dun. Voor wie van zuivere sopraanstemmen houdt ligt het hoogtepunt van ‘Future Quiet’ zeker in de huig van Elise Serenelle, anderhalve minuut ver in Estrella del Mar. Veertig seconden pure zang, naakt begeleid met enkel piano, waarbij in Latijn de Maagd Maria - ‘Sterre der Zee’ zoals ze eeuwen door zeelieden in nood werd aangeroepen - wordt bezongen.
Getoetst aan Moby’s criterium dat nummers moeten raken, grijpt Ruhe te hoog. Daarvoor nemen de toetsen teveel tonale wendingen, en missen ze een emotief patroon. Dan is het reliëfrijkere Mott Street 1992 (de straat in Manhattan waar hij destijds woonde) beter geslaagd, terwijl emotioneler synths, een minimalistische piano en strijkers in elkaar haken. Er ligt een zekere kracht in het gebruik van die wat naïef-melodieuze synthlijnen: alsof ze horen bij Moby’s bredere authenticiteit. Die naïviteit kan, zoals vaker, uiterst pijnlijk uitdraaien: wordt hij door sommigen weleens een fantastische nerd genoemd - zelf noemt hij zich liever “little idiot” - dan noemt Natalie Portman hem vast liever een “nerdy fantast”, sinds een platonisch ingebeelde date, met zijn publieke spijt tot gevolg.
Waarschijnlijk refereert Moby naar het gelaagde kwetsbare zelf in Precious Mind, met licht vibrato ingezongen door India Carney, regelmatig backing vocals brengend bij onder meer Billie Eilish en Lady Gaga. Tallinn zou volgens sommigen knipogen naar de Estse Arvo Pärt, maar, die referentie is teveel eer. Hóógstens kan je met uiterst goeie wil en onder lichte dwang voorbij halfweg nog een erg verre, waterige echo van die componist veronderstellen, maar de piano is véél te nadrukkelijk voor de subtiliteit van Pärt, en de violen ook te vaak te rechtlijnig. Het nummer suggereert zeker eerlijke emotie bij het schrijven, maar de inherente spiritualiteit in zoveel werk van Pärt vereist een véél ingetogener zin voor essentie.
Serpentwithfeet zingt met On Air een sterke zanglijn in, ingepakt in ruimtelijke orkestraties, maar ze had in plaats van een minimale piano juist een krachtiger melodieuze begeleiding verdiend, om zichzelf echt te overleven. Selene toont nog eens aan dat Moby helaas geen sterke pianist is: de nadrukkelijke nagalm suggereert ook hier meer inhoud dan in de kern aanwezig – het vecht vaak ook met het creëren van gevoelige intimiteit. Le Vide pakt het beter aan, als een Kyrie Eleison van eigen hand, waar edel stemwerk de ruimte en de leegte vult.
Great Absence klinkt als een vrije oefening aan piano, behoudt wel een vorm van harmonie, maar blijft in die verkennende invulling tegelijk te vrijblijvend. Mono No Aware (‘de schoonheid van vergankelijkheid’, als Japans adagium) klinkt, hoewel zonder vaste lijn, gerichter. The Opposite Of Fear tot slot - verwijzend naar Moby’s angsten - sluit af met iele ambientsynths, een ideële wereld uittekenend, als doorlopend belicht door synthetische zonnestralen, waardoorheen je in een transparante, veilig besloten capsule doorheen wordt geleid. Hier toont Moby zich weer wél vertellend in minimalisme, maar je blijft ook toeschouwer achter een glazen wand.
‘Future Quiet’ is daarmee een plaat die bij velen gemengde gevoelens zal oproepen. De hoorbare ambitie aan de piano reikt vaak verder dan het uiteindelijke resultaat, terwijl enkele vocale fragmenten wel degelijk diepte toevoegen aan zijn discografie. Verder toont Moby zich een artiest die wel intiemer toenadering zoekt, maar op zijn voorwaarden, met soms een vorm van afstand als uit zelfbescherming, en niet zelden ook een zekere, wat gladdere behaagdrang. Bekender om zijn branie en rauwe energie, zal het niet eenvoudig zijn de plaat voor het volgende Werchter- en Coachellapubliek te laten spreken.
