Matthew Bourne Isotach

Leaf
Isotach

De Britse avant-garde-jazzpianist Matthew Bourne is niet aan zijn proefstuk toe. Ontdek gerust 's mans Wikipedia-pagina, waarin een waslijst aan awards opgelijst wordt, opmerkelijke namen als Bonobo en Amon Tobin terugkeren of de veertigste verjaardag van Kraftwerks ‘Radio-Aktivität’ geprezen wordt met Bournes opmerkelijke wereldproject ‘Radioland’. Met ‘Isotach’ is Bourne aan een nieuw muzikaal hoofdstuk toe; eentje waarin soberheid en zijn unieke pianospel centraal staan.

De alerte YouTube-volger kreeg al een kijkje in de huiskamerrepetities, die aan dit album vooraf gingen. Sober, spaarzaam en gefocust. En dat is misschien ook een mooie synthese van deze plaat, waarvan de helft van de tracktitels begint met “Iso”, verwijzend naar het gure buitenweer in Yorkshire ten tijde van de opnamen. Zeker in het openende trio Isotach, Isothere, Isopleth valt op hoe desolaat en duister Matthew Bourne klinkt: een geheel van eenzame pianotokkels krijgt pas betekenis dankzij tussenliggende stilte en galm, die minstens even belangrijk blijken. Noten zijn impressies, accenten in een geïsoleerd, intiem universum.

Zo creëert de componist zijn neoklassiek minimalisme, maar zorgt hij ook voor weinig binding. Letterlijk te nemen trouwens, want spaarzame dwarrelnoten krijgen ook niet meteen een melodieuze logica, op een zeldzame toetsenpromenade na. In een zes minuten aanslepend Isothere is misschien net een opflakkerende evolutie merkbaar, naast een verre achtergrond van een voorzichtig inkleurende cello. Die cello krijgt in Valentine dan weer plots de hoofdrol via een vijf minuten innemende herhaling van ademende drones, aanstrijken die af en toe wat meer verrijking kennen met echo en metaalgalm.

Pas op de tweede helft van deze plaat lijkt Matthew Bourne meer te kunnen berusten in daadwerkelijke composities. Drie keer schrijft hij een werk toe aan vrienden of kennissen en drie keer gaat dat om een smakelijk samengaan van een lyrische pianomelodie en zachtaardige kleurtapijten van viool of cello. Candela, geschreven voor Sascha Heeney, mag zelfs gerust het bordje “ontroerend mooi” dragen en ook bevriend Schots bassist Howie Reeve mag zich vereerd voelen met een fraai afsluitend Isogone.

Bourne is iemand met een geheel eigen stijl en visie op de piano, zoals die andere populistische neoklassieke pianist, Nils Frahm, op de hoes van dit album beaamt. Maar die stijl moet je liggen. Angst voor vernieuwing is in elk geval geen goede helper, net als de nood aan een muzikale houvast. Misschien een goede tip om met dit album aan de slag te gaan: begin met de B-kant en laat je vervolgens meeslepen door de veel moeilijkere A-kant. Duisternis en hoofdtelefoon zijn in elk geval verplicht.


9 oktober 2017
Johan Giglot