Grandaddy Last Place

Columbia Records
Last Place

Op een paar – uitstekende – reünieconcerten de laatste jaren na, was het van ‘Just Like The Fambly Cat’ uit 2006 en de daaropvolgende split geleden dat we van Grandaddy gehoord hadden. Uitgeblust, het toeren zat en omringd door zwarte sneeuw hadden de mannen uit Modesto er de brui aan gegeven.

Meer dan tien jaar later is er ‘Last Place’. Frontman Jason Lytle, die nagenoeg alles in zijn uppie componeert en opneemt, is door een resem veranderingen gegaan. Verhuisd van Modesto naar de bossen van Montana, van daar naar grootstad Portland, om vervolgens - tegen zijn eigen verwachtingen in - weer in Modesto te belanden, een vrouw armer.

Wie ‘Last Place’ oplegt, krijgt nochtans de indruk dat Grandaddy nooit is weggeweest. Way We Won’t, Evermore en vooral Brush With The Wild tonen de band in bloedvorm. Lytles melancholische stem bedaart de fuzzy gitaren en de warme, analoge synths die eerder geneigd zijn om de massa’s op te zwepen.

Lytle rekent hier af met persoonlijke demonen. Op het weemoedige The Boat In The Barn rakelt hij herinneringen op aan zijn ex: “Oh no, my love ain’t gone.” I Don’t Wanna Live Here Anymore en That’s What You Get For Gettin’ Outta Bed tonen een man die door diepe dalen is gegaan, en die daar in zijn muziek een uitlaatklep voor kan vinden.

Van oudsher vertelt Grandaddy verhalen over technologie die de natuur binnendringt. Een vrouw die in een bos op haar gsm zit te tokkelen, de alcoholverslaafde, gevoelige robot Jed The Humanoid die in Jed the 4th nog eens mag schitteren in droefenis.

Maar daarnaast zit er op ‘Last Place’ ook een metaniveau in de songs, lijkt Lytle de geschiedenis en de toekomst van zichzelf en de band te weerspiegelen in zijn teksten. In Way We Won’t zingt hij “Damned if we do, dumb if we don’t,” en waar kan dat anders over gaan dan de reünie? Jed wordt op Jed the 4th aangehaald als alter ego, “a metaphor for being drunk and on the floor.”

Het orgelpunt van de plaat is het spaarzame, repetitieve Lost Machine, een metafoor voor de band ditmaal. Het klinkt als een zwanenzang, ook al heeft Lytle al laten optekenen nog zeker één Grandaddy-plaat te willen maken. De zwanenzang sluit de plaat in ieder geval niet af, dus misschien rijst de feniks nog een allerlaatste keer uit de as, binnenkort of over een paar jaar.

Op slotstuk Songbird Song doet Lytle het nog eens solo; en hij klinkt ingetogen en breekbaar als Elliott Smith (die ooit nog live meezong op He’s Simple, He’s Dumb, He’s The Pilot). Op de keper beschouwd is ‘Last Place’ een plaat met een ijzersterk begin en een al even straf einde, die wat inzakt in het midden. Maar voor wie net als ons jarenlang smachtend is blijven luisteren naar het oudere werk, is ze een godsgeschenk. 


16 maart
Andreas Hooftman