Een concert van Tindersticks is niet zomaar een concert. Waar een doorsnee rockgroep je compleet van je sokken kan blazen, zal dat bij Tindersticks niet gauw gebeuren. Dat wil echter niet zeggen dat hun concerten minder beklijvend zijn. Meer zelfs, het woord ‘mooi’ lijkt wel uitgevonden voor dit type concerten. Zo ook voor hun derde passage in ons land in een jaar tijd.
Het Deense Murder stond al meermaals in het voorprogramma van Tindersticks en zo ook vanavond. Het excentriek uitziend duo Jacob Bellens en Anders Mathiasen bracht bedrieglijk eenvoudige akoestische nummers die nu eens aan Kings of Convenience en dan weer aan een uitgeklede versie van Low deden denken. Murder was op zijn best tijdens de nummers die Bellens en Mathiasen samen zongen (en ons daardoor vaag aan Simon & Garfunkel deden denken), maar kon ons nooit echt raken. Murder deed ons naar het einde toe wel erg ver onderuit zakken in onze stoel.
Het ingetogen begin van de set van Tindersticks, toepasselijk getiteld Introduction, deed ons echter snel weer rechtveren en deed het uitverkochte concertgebouw de adem inhouden. Eén voor één verschenen de zeven verschillende muzikanten op het podium (inderdaad, Tindersticks in een “uitgedunde” versie) met als laatste opper-Tinderstick Stuart Staples die met zijn welbekende “one two three four” Yesterdays Tomorrows inzette. Dat dit overstemd werd door de te nadrukkelijk aanwezige gitaar van Neil Fraser (één van de drie overblijvende originele leden) en dat de blazers in het daaropvolgende The Flicker of a Little Girl te schel klonken, bedekken we graag met de mantel der liefde, gezien de onvoorstelbare pracht die daarna nog zou volgen.
De eerste zeven nummers die de Britten speelden, en dat deden ze in een rotvaart, waren identiek aan het begin van hun laatste plaat ‘The Hungry Saw’. Na die valse start onthouden we vooral het verstilde Come Feel the Sun en het uitbundigere E-Type. The Organist Entertains is op plaat een leuk tussendoortje, maar bleek live dan weer behoorlijk overbodig. Toch leek het alsof Tindersticks pas echt goed hun draai hadden gevonden bij de weergaloze Townes Van Zandt-cover Sixteen Summers, Fifteen Falls. Ook het aansluitende Say Goodbye to the City liet het beest in de groep voor de eerste en veruit enige keer los.
Dat afwisselen van enthousiastere met haast volledig verstilde nummers is altijd al één van de sterktes van Tindersticks geweest. Er werd namelijk verder gegaan met het oude Sleepy Song (dat mag op gerust letterlijk genomen worden, tot wanneer de Calexico-trompetten de boel deden losbarsten tenminste) en She’s Gone, allebei uit het uit 1995 daterende ‘Tindersticks II’. Hierna pikte de groep de draad van ‘The Hungry Saw’ weer op en speelde netjes de rest van het album verder. Tijdens Mother Dear en All the Love verslapte onze aandacht danig, maar Boobar Come Back to Me en afsluiter The Turns We Took waren dan weer twee hoogtepunten van jewelste.
Het geduld van het wildenthousiaste en opvallende oude publiek werd beloond met twee (!) bisrondes met oud werk. My Sister, een nummer dat met zijn vreemde opbouw zo van Spinvis had kunnen zijn, en My Oblivion waren nochtans geen hapklare brokken, maar werden gelukkig wel uit elkaar gehouden met het sublieme Her. Met het tweede slaapliedje van de avond, The Not Knowing, kwam een eind aan een concert dat genoeg warmte uitstraalde om een hele winter mee door te komen.
No comments
Nieuwe reactie inzenden