De tweede dag werden we wakker geschreeuwd door Logan Plant, frontman van
Sons Of Albion en zoontje van. De heren speelden inwisselbare Amerikaanse metalrock. Stevig was het wel, bij momenten. Net zoals papa.
Leuk idee, die samensmelting van reggaeritmes, pop en soms zelfs tegen metal aanschurkende rock van
State Radio in de Marquee. Alleen jammer dat niet alle liedjes even mooi uitgewerkt zijn. Desalniettemin loont het vast de moeite om dit bandje uit Boston te blijven volgen.
Zucht, alweer een duo met gitaar en drums in de Chateau. Maar voorwaar,
The Dodos zijn effectief anders. U hoeft de ogen niet weg te draaien. Een akoestische gitaar en een drummer die enkel gebruik maakt van een snare, drie toms en wat cimbalen, maken van dit bandje iets echt origineels. Ons doet het nog het meest aan Eyeless In Gaza denken, een obscure jarentachtigband die het ook met enkel die beperkte middelen deed en de underground nooit is ontstegen. Ook de verwijzing “New Weird Folk meets The Gun Club” kruiste even onze gedachten. Meric Long verpakte zijn stem ook in galm en de drums – Joe Haener stond het duo bij op vibrafoon en vuilbak – zijn erg naakt en basic. Repetitief en toch melodieus. Dit was zonder enige twijfel dé ontdekking van vrijdag.
Dev Hynes van
Lightspeed Champion deed het prima in de Club, zijn geluidsmannen spijtig genoeg niet. De grappige teksten en het vrolijke gitaarspel gingen volledig verloren door de veel te luide drums. Toch krijgt de band een goed rapport van ons. We hebben nu eenmaal een zwak voor hippe nerds die zichzelf niet al te serieus nemen.
Nina Nastasia moest haar voorgangers in de Chateau doen vergeten, maar het adrenalinegehalte zat daar duidelijk nog te hoog, waardoor haar eenzamehartensongs tenonder gingen in het festivalgeweld.
Het programmeren van
Michael Franti & Spearhead is nooit een slechte zet. Naar goede gewoonte - de groep stond voor de vierde keer op Pukkelpop - zorgde de man voor meer feelgoodvibes dan alle andere groepen samen. Zoals steeds was dit ook weer de ideale soundtrack bij die heerlijke zon en zoals steeds was Franti de sympathiekste peer van het weekend door, zoals steeds, zijn publiek uitgebreid te begroeten met handjes, zoenen en knuffels. In een rotvaart vlogen Franti en band door het optreden en zelfs het ontbreken van zowat alle hits (met uitzondering van
Everyone Deserves Music) vormde voor niemand een obstakel.
Voor
Girls In Hawaii was Pukkelpop een thuismatch. De Vlaamse leeuw heeft deze Walen immers al lang in zijn hart gesloten en de Marquee barstte dan ook uit zijn voegen. Terecht, zoals bleek, want de heren spraken niet alleen een aardig mondje Nederlands, hun muziek sprak bovendien boekdelen van encyclopedisch formaat. Er werd gerockt waar nodig en ingetogen gemusiceerd waar voorzien. Deze groep heeft de status van Belgische Grandaddy al lang overstegen. Hier stond immers een band met een eigen gezicht en een duidelijke missie: aantonen dat dit in heel Europa en verder moet gehoord worden. Door de tomeloze inzet was er naast de visuals ook altijd iets te zien op het podium. Dit was wereldklasse.
Wij vernamen dat
Modeselektor & Pfadfinderei de favoriete groep is van Thom Yorke dus moésten we wel richting Dance Hall trekken. We hadden echter van Yorke iets meer smaak verwacht want bijster origineel was het allemaal niet. Ook lazen we dat Modeselektor “eigenzinnig, dwars, vernieuwend en tegen de stroom in” zou zijn. Niets van al die kwaliteiten namen wij echter waar. Leuk, dat was het wel, maar zoals u weet is dat niet bepaald een eigenschap om u tegen te zeggen. En dan zwijgen we nog over de compleet belachelijke karaokeversie van
The Dull Flame of Desire van Björk & Antony.[pagebreak]
Bescheidener maar daarom niet minder indrukwekkend was de show van
Caribou. Vaste maatjes van die andere experimentele band, die zaterdag zijn opwachting zou maken, Fuck Buttons, maakten de heren rond Dr Daniel Victor Snaith de Chateau vakkundig in. Twee drumkits stonden prominent vooraan op het toneel uitgestald. Drums die uiteindelijk niet alleen door “vaste” drummer Brad Weber zouden worden gebezigd, maar ook door frontman, gitarist en knoppendraaier Snaith en uiteindelijk zelfs door de hele band. De experimenteerdrift stond nergens in de weg van de melodie met als resultaat dat hier een dijk van een show werd neergezet. De toeschouwers waren dan ook laaiend enthousiast en moesten vaststellen dat de voorziene drie kwartier veel te snel voorbij waren.
Het leek wel een trend dit weekend, openen met je grootste hit. Ook
A Brand opteerde om de overvolle Marquee een schop onder zijn kont te geven met
Hammerhead. Wanneer onmiddellijk daarna de huidige successingle
Time volgde en wat later de melody van
Block Rockin’ Beats (The Chemical Brothers) en
Poisin (The Prodigy), was het hek helemaal van de dam. Heel veel was er voor de rest niet veranderd. Het vijftal was gekleed in stijlvol wit, dat wel. En ze trakteerden de Marquee op champagne om hun koppositie in De Afrekening te vieren. Ze bewezen alweer één van de origineelste bands te zijn die ons Belgenlandje rijk is.
Opdondertje Sam Duckworth, beter bekend onder zijn alter ego
Get Cape. Wear Cape. Fly toonde in de Club met verve aan dat ook met een akoestische gitaar gedreven muziek kan gemaakt worden. Geruggesteund door een magistrale ritmesectie bracht hij zijn songs (
Find The Time kende u ongetwijfeld al van de radio) alsof hij volledig onder de speed zat, fladderend over het podium. Hoewel dat gehos ergens halverwege wat eentonig dreigde te worden, kwam daar naar het einde toe opnieuw verbetering in.
Sinds The Polyphonic Spree en I’m From Barcelona hebben we het een beetje moeilijk met groepen die veel te veel leden tellen.
Los Campesinos! droegen gelukkig geen overmaatse sektegewaden. Ze speelden hyperkinetische zomerpop en lieten ons Siberisch koud.
Cold War Kids hebben net een nieuwe plaat klaar. Pas in september vindt u ze in de winkel, maar Pukkelpop kreeg alvast een voorsmaakje. De toon is opnieuw erg donker, de muziek hoekig en onvoorspelbaar. Op dat grote podium leek de band echter een beetje verloren te lopen. In een kleinere ruimte kunnen ze nog meer tegen elkaar opbotsen en mekaar uitdagen, terwijl dat hier niet echt leek te lukken. Jawel,
St. John en
Something’s Not Right With Me blijven van een zeldzame klasse, maar kwamen op een of andere manier op deze zonovergoten wei niet echt over. In november mogen ze herkansen in de Ancienne Belgique.
Zoals steeds stond er een onnoemelijk lange lijst van hippe indierockbandjes op Pukkelpop. Velen daarvan zullen binnen enkele jaren hoogst waarschijnlijk in de vergeetput gesukkeld zijn maar onze kop eraf als dat ook het geval is met
Foals. In de Marquee bewezen ze nog maar eens over een enorme portie potentieel te beschikken en met hun snedige rock wisten ze zelfs een heel eigen geluid neer te zetten. Een hoogtepunt.[pagebreak]
Heel wat minder enthousiast werden we van
Does It Offend You, Yeah?, dat vruchteloos probeerde de Club op zijn kop te zetten met aggressieve en loeiharde electropunk. Vergelijkingen met Goose en Klaxons gaan zeker op maar toch klonk het nog net iets zwaarder dan de doorsnee new rave. De afwisseling van chaotische nummers met meer poppy nummers leek aantrekkelijk en het kan aan onze
state of mind gelegen hebben maar in de praktijk kon het ons amper bekoren.
Wonderlijk genoeg speelde
Tunng voor een volle Chateau. De groep heeft de doorbraak naar het grote publiek nochtans (nog) niet gemaakt. Maar hun attractieve folksongs met vaak hemelse samenzang wisten de toeschouwers terecht te boeien. Tunng is zo zacht als smeerkaas. Ze slagen erin om feel good folk te spelen zonder ooit melig te worden. Het vleugje humor dat daaraan werd toegevoegd (de ode aan Metallica in
Soup) was toegevoegde waarde. De band was in grote doen en de reacties waren fantastisch.
Tim Vanhamel speelde loeiharde stille liedjes in de Marquee, daarin bijgestaan door een publiek vol tienermeisjes. We hebbben Vanhamel altijd al sympathiek gevonden en doen al maanden ons uiterste best om zijn solowerk goed te vinden, maar op cd kan hij ons niet boeien en live kon hij dat evenmin. Creatief met helium, of zo. Keer terug naar de rock-‘n-roll, Tim!
We maken ons ernstige zorgen om
Martina Topley-Bird. Potsierlijk is het enige woord dat haar optreden in de Chateau kan omschrijven. Ze had haar muzikanten voor de gelegenheid uitgedost als ninja’s en liep er zelf bij als het soort verlepte kweeldeerne dat je wel eens op cruiseschepen tegenkomt. Alles ademde vergane glorie. Hoogst deprimerend.
Geef ons dan maar
Robyn. Vooraleer de Zweedse diva met Madonna op tournee vertrekt, passeerde ze nog even langs Pukkelpop om de Dance Hall in vuur en vlam te zetten. En hoe: Robyn bewees dat ze heel wat meer in haar mars heeft dan alleen de hit
With Every Heartbeat, overigens de weergaloze afsluiter van dit topconcert. Opwindende electropop met af en toe nog een knipoog naar de gemakkelijkere dance die ze vroeger maakte, was wat we te horen kregen en wat een volle tent in een uitzinnige stemming bracht. Wereldklasse.
Alvorens de Chateau binnen te stappen, dachten we
Alphabeat eens lekker neer te sabelen. Niets bleek echter minder waar want dit geschifte zestal zorgde zowaar voor één van dé hoogtepunten op deze tweede dag. De gezellige tent stond al in lichterlaaie voor er nog maar een noot gespeeld was. De groep was duidelijk overdonderd door zoveel enthousiasme en ging daardoor blijkbaar nog straffer spelen. Alphabeat maakt complexloze en schaamteloos poppy nummers die er ingaan als zoete koek. De vergelijking met The B-52’s was dan ook nooit veraf. Hoogtepunten waren er in overvloed maar we onthouden vooral opener
Fantastic Six, de cover van de Sugababes’
Push the Button en uiteraard de megahit
Fascination die hier als afsluiter fungeerde. Maar deze hit had Alphabeat al lang niet meer nodig om ons en de hele tent te overtuigen van hun kunnen.
Al van ’s morgens was het overduidelijk dat vooral
Metallica medaillefavoriet zou zijn op vrijdag. De honderden zoniet duizenden t-shirts in combinatie met de voortdurende al dan niet ironische verwijzingen van andere bands (Tunng, Lightspeed Champion, Blood Red Shoes,…) maakten duidelijk dat hier iets te gebeuren stond.
Toen de band het uitgebouwde podium – hellingen, een verhoog en een gigantisch, podiumbreed videoscherm – beklom, bleek de medaille al op voorhand uitgedeeld. James Hetfield zag er niet alleen behoorlijk kwiek uit, ook zijn stem was prima in vorm. De rest van de band was eveneens duidelijk blij nog eens op een podium te kunnen staan.
Je mag er nog zo’n hekel aan hebben, Metallica weet zijn set op te bouwen. Tussen de wat minder bekende nummers door werd op tijd en stond een klassieker gegooid zodat het geheel nergens ook maar enigszins vervelend werd.
And Justice For All was bijvoorbeeld één van die classics. Ook uit het nieuwe album ‘Death Magnetic’ werd al geput met
Cyanide, dat terug leek te keren naar de roots van de groep.
Uiteraard was het voor
One en nummers als
Nothing Else Matters dat het overgrote deel van het publiek geduld had opgebracht. In combinatie met de nodige pyrotechnics en vuurwerk werd een prima show opgevoerd, hier en daar gelardeerd met humor (de vingergrap aan het begin van
Enter Sandman) en interactie (
Master Of Puppets). Dit was een waardige headliner voor dag twee.[pagebreak]
Tussen de songs door klonk het gedonder van Metallica onmiskenbaar op de achtergrond, maar wij voelden ons veilig met
Tindersticks in de Marquee. We zagen de band al in betere doen – het begin van
The Hungry Saw ging zelfs helemaal de mist in – maar dat deerde niet. Stuart Staples en de zijnen verdeelden hun aandacht evenredig tussen de nieuwe plaat en ouder werk. Instant klassieker
Boobar Come Back To Me vormde een fragiel hoogtepunt.
Dance-sensatie
Boys Noize ofte Alex Richa deed in de Dance Hall wat van hem verwacht werd: ons laten zweten. Een twee uur durende set bracht ons in extase op een manier die we nog niet al te dikwijls hebben mogen meemaken. De opbouw naar de hit
My Moon My Man kunnen we misschien nog het best vergelijken met een orgasme. Aangezien dit de derde keer op rij was dat Boys Noize mocht aantreden op Pukkelpop kunnen we niet echt meer spreken van een revelatie, maar u weet ongetwijfeld wat we bedoelen.
The Gutter Twins hadden wat goed te maken. Hun optreden in de AB enkele maanden geleden hadden ze toen namelijk moeten stilleggen door stemproblemen bij Greg Dulli. De revanche die ze op Pukkelpop namen was ongezien. Het orgasme waarvan al eerder sprake, herhaalde zich meermaals tijdens dit optreden, meer bepaald op die momenten waarop Dulli en Mark Lanegan samen zongen. Die laatste stond overigens een uur lang, onbewegelijk, in het duister gehuld en opmerkelijk was ook de afwezigheid van fotografen en camera’s.
Uit ‘Saturnalia’ onthouden we vooral het loodzware
Idle Hands en afsluiters
Each to Each en
Front Street. Verder ontwaarden we ook nog Lanegan’s
Hit the City en Dulli’s
Bonnie Brae (van zijn band The Twilight Singers). Verrassend genoeg kregen we ook een cover van José Gonzalez’
Down the Line. Stuk voor stuk hoogtepunten. Wij willen meer van dit. En liefst een beetje snel.
Als we Miles Kane moeten geloven was het optreden van
The Rascals op Pukkelpop het eerste buiten het Verenigd Koninkrijk. De jongens klonken dan ook Britser dan Brits. Ze hadden zelfs een schare Engelse fans meegebracht. Niet dat ze die extra steun nodig hadden, want de piepjonge Britten maakten een schitterende passage. Dit optreden deed ons zelfs vermoeden dat Miles Kane de hoofdverantwoordelijke is voor de overweldigende sixties sound van The Last Shadow Puppets. Een afsluiter van niveau.
No comments
Nieuwe reactie inzenden