
Van iemand die al vier uitstekende albums op zijn curriculum vitae heeft staan verwacht je een zekere métier. Een vakkennis die ook nog eens verrassend overkomt, anders kan die vijfde plaat niet meer boeien. Iemand met zoveel ervaring is
M. Ward, een Amerikaans singer-songwriter, die met zijn nieuwe 'Post-War' een oerdegelijke plaat aflevert die misschien niet de verhoopte verrassing in zich meedraagt, maar wél weet te boeien. En dat kunnen alleen de allergrootsten.
Matt Ward komt uit Portland en maakt al sinds zijn debuut uit 2001 ('Duet For Guitars #2') tijdloze soloalbums die binnen twintig jaar hun passie nog steeds zullen uitdragen. Na zijn ervaring bij
Rodriguez huist hij nu in hetzelfde hokje als Lambchop, Bright Eyes en Iron & Wine en tovert hij bovendien met invloeden als Tom Waits en Howe Gelb. Zijn laatste album 'Transistor Radio' kende zelfs Europees succes dankzij zijn hese, rauwe en zware stem die rammelende americana, folk en country weet te vermengen tot iets wat als hippe indie wordt versleten door de platenfirma. Maar soms kan het ook in zijn nadeel werken.
Je moet van zijn stem houden om ze twaalf nummers nummers lang in je kielzog te dulden. Een groot zangtalent zal hij nooit worden, maar dat wordt ruimschoots goedgemaakt door de emotie die hij tijdens het zingen uit. Zo is er de prachtige opener
Poison Cup waar hij heel gevoelig en verstilt fluistert: "I hope/Hope you know what I'm thinking of/I want all of your love/I need all of your love". Door de treurige achtergrondgeluiden worden we meteen bij ons nekvel gegrepen. We worden er triest van en knikken gehoorzaam op de vraag of dit het beste nummer van de plaat is.
Toch zijn er nog voldoende andere hoogtepunten te verzamelen. Het eerste luik is meteen het beste. Zo weet hij samen met gastzangeres Neko Case, in tegenstelling tot de opener, met de uitmuntende Daniel Johnston cover
To Go Home een versnelling hoger te schakelen. Een vette
yeah en grijns op ons gezicht zijn ons deel, nadat we stampend met onze voeten op de grond heel luid hebben meegezongen met het refrein. Dankzij een heel mysterieus "I hope he's right in the head" weet hij verder het anders grijze
Right In The Head een bepaalde
drive mee te geven zodat het naar een hoger niveau wordt getild.
Het tweede deel is kalmer en gemoedelijker. Het pakt ons iets minder, maar slecht is het ook niet, want het blijft gewoon kwaliteit. Niets meer, maar vooral ook niets minder. Toch onthouden we het live
Neptune's Net dat als instrumentaal nummer nog heel veel ruwheid met zich meedraagt en met het subtiel
Afterword/Rag dooft de plaat tenslotte meer dan waardig uit.
Soms moeten recensies niet langer zijn om te beseffen dat dit, en we wikken onze woorden, een beklijvend (groei)plaatje is geworden. In vergelijking met zijn vorige albums is dit zijn beste tot hiertoe en is het dus een prima instap voor de ongeoefende luisteraar. Wij koesteren dit album vooral 's nachts, vlak voor het slapengaan. Soms kan verdrietig zijn, héél mooi worden verwoord.
No comments
Nieuwe reactie inzenden